Onderzoeken tweede rondeDe onderzoeken1. Van veelbelovende aanpak naar regulier curriculum bij Mechanica – de ontwikkeling van een professionaliseringstraject 2. Instruments for summative assessment in accordance with context-based science and math education. 3. Evolutionair denken in de concept-contextbenadering 4. Evaluatie van de samenhang binnen de statistiekleerlijnen in wiskunde A en C 5. Een vakoverstijgende leerlijn voor leren onderzoeken in de bètavakken 6. Onderzoek in het kader van de concept-contextbenadering naar het effect van combinaties van onderwijsleeractiviteiten op de samenhang in de kennis van leerlingen. 7. Het ontwerpen en inzetten van schakelopdrachten voor wiskundig discussiëren, redeneren en niveauverhoging 8. Succesgestuurd en leereffectgericht invoeren van concept-context biologie onderwijs 9. Samenhang in en tussen scheikunde- en biologiemodules binnen een uitwerking van de context concept benadering 10. De uitdaging en noodzaak van differentiaalvergelijkingen in het wiskundeonderwijs. Theorievorming over de wiskundige structuur ten behoeve van de didactisering van het opstellen en bewerken van differentiaalvergelijkingen. 11. De veranderende relatie tussen context en concept bij de vorming van een wendbaar energiebegrip.
onderzoeker: Frank Lacroix, College Rolduc locatie Lyceum, Kerkrade promotor/copromotor prof. dr. H.M.C. Eijkelhof dr. P.J.J.M. Dekkers Universiteit Utrecht poster Esera 2009 synopsis voor Esera summerschool 2010 Frank Lacroix: “Het onderzoek geeft me de mogelijkheid die ik zocht, namelijk naast het lesgeven me verder ontwikkelen binnen mijn vakgebied.” Frank Lacroix (38) doceert natuurkunde aan Stella Maris College in Meerssen. Hij staat 16 jaar voor de klas. Frank werkt twee volledige dagen op school. De overige drie dagen (en een gedeelte van het weekend) werkt hij aan zijn onderzoek. Samenvatting onderzoek Bij Nina mechanica dient een beoogde vernieuwde aanpak gestalte te krijgen door de docenten die ermee in de praktijk aan de slag gaan. Het onderzoek richt zich op het ontwikkelen van een professionaliseringstraject voor docenten om de bij de vernieuwde aanpak gewenste innovaties, vaardigheden, praktijkkennis en inzichten aan te reiken. Uitgebreidere beschrijving onderzoek Het project Vernieuwing Natuurkundeonderwijs havo/vwo (NiNa) beoogt zowel inhoudelijke als didactische vernieuwing, met als uitgangspunt dat leren wordt bevorderd als leerlingen een persoonlijke uitdaging kunnen vinden in de aangeboden inhoud en leeractiviteiten. Het implementeren van vakdidactische vernieuwingen bij mechanica is een proces van transformaties naar concrete onderwijs- en leeractiviteiten. Het slagen van curriculumvernieuwing hangt af van of professionalisering resulteert in de benodigde vakdidactische kennisverandering bij docenten. In dit onderzoek worden betere methoden ontwikkeld om docenten in staat te stellen de beoogde vernieuwing bij mechanica te implementeren. Voor een concrete invulling van leertrajecten en onderwijsactiviteiten krijgt design research een groeiende aandacht. Identificatie van relevante bestaande kennis, gewenste kennisuitbreiding en aanknopingspunten voor het oproepen van kennisbehoeften van lerenden kunnen richting geven aan het gewenste leerproces. Het onderzoek is er op gericht het proces zo vorm te geven dat de kennisbehoeften van lerenden zorgvuldig worden gevolgd voor wat betreft het uitbreiden van hun kennis in de gewenste richting. Het onderzoek bestaat uit in elkaar overlopende fasen van inventariseren, exploreren, optimaliseren en rapporteren. In de inventarisatiefase brengt Frank Lacroix in kaart welke transformaties het ontwikkelde mechanicamateriaal ondergaat in de onderwijspraktijk van de tien NiNa examenscholen. Op basis van deze inventarisatie ontwerpt hij een hypothetisch scenario voor het beoogde professionaliseringstraject. Een groep docenten test enkele van de cruciale elementen in dat traject (januari 2009-juli 2010). In de derde fase (januari 2010-juli 2011) wordt een didactische theorie voor het beoogde professionaliseringstraject ontwikkeld. Daarvan komt een verdere gedetailleerde uitwerking in scenario’s die richting geven aan de specifieke invulling van werkgroepen en implementatieopdrachten voor docenten, gevolgd door een try out in de praktijk van het gehele traject.
onderzoeker: Nienke Gerkes, Cals college, Nieuwegein promotor/copromotor prof. dr. Albert Pilot dr. ir. Astrid M.W. Bulte Universiteit Utrecht prof. dr. Graham Orpwood York University Faculty of Education, Toronto, Ontario, Canada Nienke Gerkes: “Op deze manier kan ik het lesgeven combineren met mijn wens om onderzoek te doen, en kan ik een bijdrage leveren aan het wetenschappelijk onderbouwd vernieuwen van onderwijs. Ik kan nu problemen die ik zelf heb ervaren als docent structureel aanpakken en meewerken aan een oplossing die hopelijk ook door anderen gebruikt kan worden.” Nienke Gerkes (30) geeft scheikunde aan het Cals college in Nieuwegein, twee ochtenden in de week. Daarnaast besteedt ze drie dagen aan haar promotieonderzoek. Het is het vierde jaar dat ze lesgeeft. Samenvatting onderzoek De nieuwe eindexamenprogramma's voor de bètavakken zijn context-gebaseerd: in de lesstof en in de toetsen worden situaties gebruikt uit het dagelijks leven, de beroepspraktijk en de onderzoekswereld. Die zijn bedoeld om leerlingen een beter begrip te geven van abstracte concepten, en leren die toe te passen in verschillende situaties, ook buiten het onderwijs. Maar leren leerlingen dan ook werkelijk wat de ontwerpers van de nieuwe programma's bedoeld hebben, en hoe toets je dat? Om die vragen te beantwoorden zal Nienke een classificatiesysteem ontwerpen voor het maken van (eindexamen)vraagstukken waarin het gebruik van contexten centraal staat. Ook zal ze onderzoeken hoe professionals in en om het onderwijs optimaal kunnen samenwerken om tot toetsen te komen die meten wat we willen weten. Uitgebreidere beschrijving onderzoek De huidige summatieve beoordelingsmethoden voor vwo- en havovakken in wiskunde en natuurwetenschappen passen niet goed bij wat geleerd moet worden in de nieuwe onderwijsprogramma’s. De nieuwe eindexamenprogramma's voor de bètavakken zijn context-gebaseerd. In de lesstof en in de toetsen worden situaties gebruikt uit het dagelijkse leven, de beroepspraktijk en de onderzoekswereld. Zo vormen leerlingen een beter begrip van abstracte concepten, die kunnen worden toegepast in verschillende situaties, ook buiten het onderwijs. Maar leren leerlingen werkelijk wat de ontwerpers van de nieuwe programma's bedoeld hebben? En hoe toets je dat? Nieuwe methoden moeten worden ontwikkeld waarmee beoordeeld kan worden hoe competent leerlingen omgaan met de vakinhoud in contexten die voor hen nieuw zijn. Dit onderzoek is gericht op contextrijke toetsvormen en op werkwijzen om (eindexamen)vraagstukken te maken waarin het gebruik van contexten centraal staat. Het doel van het onderzoek is meer inzicht te krijgen in het ontwerpen van beoordelingen. Er wordt gestreefd naar het ontwikkelen van valide beoordelingsmethoden voor op contexten gebaseerde curricula voor wiskunde en natuurwetenschappen in de bovenbouw van VWO en HAVO. Ook verschaft het onderzoek door Nienke Gerkes ontwerpprincipes en feedback aan onderwijsontwikkelaars en docenten. In het onderzoek wordt een onderzoeksaanpak gebruikt die wordt aangeduid als design based research approach. Daarmee worden in dit geval toetsen ontworpen en beproeft om een beter inzicht te krijgen in het proces van beoordelen van dit type leerresultaten. Deze aanpak is er ook op gericht ontwerpprincipes op te stellen voor het maken van dergelijke toetsen en de effectiviteit van die ontwerpprincipes na te gaan. In dit onderzoek zullen nieuwe methoden voor summatieve beoordelingen worden ontworpen, ontwikkeld en beproefd. Deze zullen consistent moeten zijn met de doelen en de aanpak van onderwijs, waarin contexten een belangrijk onderdeel vormen.
promotor/copromotor prof.dr.K.Th. Boersma prof.dr. J.W.F. Reumer prof.dr. A.J.Waarlo dr. M.C.P.J.Knippels Universiteit Utrecht Presentatie ORD 2009 Klaas van Hees: “De uitdaging om tegelijkertijd les te geven als gericht te toetsen hoe de lespraktijk zou kunnen worden verrijkt, is voor mij een enorme buitenkans.” Klaas van Hees (31) is docent biologie en ANW op Scholengemeenschap Het Rhedens in Rozendaal. Hij geeft sinds drie jaar les. Klaas werkt drie dagen op de universiteit en twee dagen op school, om al te veel heen-en-weer gereis te voorkomen en voldoende tijd te kunnen inbouwen voor observatie en onderzoek. Samenvatting onderzoek De hedendaagse evolutietheorie is een van de rijkste theorieën in de biologie en misschien wel de natuurwetenschappen. Maar dat zie je niet terug in de biologiemethoden op de middelbare school. Klaas’ onderzoek richt zich op de vraag hoe je vwo-leerlingen kunt leren evolutionair te denken door te kijken hoe evolutie een rol speelt in de verschillende disciplines van levenswetenschappers. Uitgebreidere beschrijving onderzoek De Commissie Vernieuwing Biologie Onderwijs (CVBO) heeft een concept-context-benadering gedefinieerd waarin contexten worden opgevat als handelingspraktijken. In de leerlijnen zijn concepten aangegeven die leerlingen moeten verwerven. Dat geldt ook voor een aantal domeinspecifieke denk- en werkwijzen, waaronder evolutionair denken. Het belang van evolutionair denken reikt verder dan de biologie. Aan evolutionair denken wordt in het voortgezet onderwijs, voor zover bekend, nauwelijks expliciet aandacht besteed. Dit wordt verklaard doordat evolutionair denken in biologisch onderzoek vaak impliciet blijft en niet steeds dezelfde betekenis heeft. Het onderzoek levert een bijdrage aan de ontwikkeling van een lessenreeks over evolutie op basis van de concept-contextbenadering. Deze voldoet aan de eisen die in het concept examenprogramma en de daarop gebaseerde syllabus worden gesteld. Evolutionair denken wordt daarbij mogelijk geïntegreerd in een door CVBO-scholen ontwikkelde lessenreeks over evolutie. Het belang van het onderzoek reikt echter verder. In dit onderzoek wordt theoretisch uitgewerkt en praktisch beproefd hoe leerlingen een, in wetenschappelijke praktijken gehanteerde, denk- en werkwijze kunnen verwerven. Gezien het feit dat wetenschappelijke contexten met name relevant zijn voor vwo-leerlingen zal het onderzoek zich daarop richten. Omdat de onderzoeksvraag als ontwerpvraag moet worden opgevat, wordt Klaas van Hees’ onderzoek uitgevoerd als ontwikkelingsonderzoek. Het onderzoek bestaat uit drie fasen. De exploratieve fase levert ontwerpcriteria voor een scenario op. In de cyclische onderzoeksfase wordt in drie cycli een scenario en daarop gebaseerd lesmateriaal uitgewerkt en beproefd. Tot slot wordt in de afrondingsfase gereflecteerd op het uitgevoerde onderzoek en wordt de theoretische opbrengst uitgewerkt in een didactische structuur voor evolutionair denken. De resultaten van zowel het vooronderzoek als het gehele onderzoek worden gepubliceerd in internationale tijdschriften.
onderzoeker: Anneke Verschut, Etty Hillesum Lyceum, Deventer promotor/copromotor prof. dr. J.A. van Maanen prof. dr. W. Kuiper dr. A. Bakker dr. P. Drijvers Universiteit Utrecht Paper juni 2010: Towards evaluation criteria for coherence of a data-based statistics curriculum Presentatie ORD 2009 Anneke Verschut: “Lesgeven is geweldig, maar in de hectiek van alledag miste ik steeds vaker de gelegenheid om eens wat langer stil te staan bij het hoe en waarom ervan.” Anneke Verschut (43), docente wiskunde A, B, C en D, staat voor het negende jaar voor de klas. Ze geeft les aan het Etty Hillesum Lyceum in Deventer, locatie Het Vlier, waar alleen bovenbouwleerlingen havo/vwo zitten. Op maandag en dinsdag werkt ze op het Etty Hillesum Lyceum, de andere dagen werkt ze aan haar onderzoek. Samenvatting onderzoek De vernieuwingscommissie wiskunde heeft nieuwe eindtermen voorgesteld voor statistiek binnen wiskunde A in de bovenbouw havo en vwo, met daarbij ideeën hoe deze eindtermen in leerlijnen vormgegeven kunnen worden. Een doel van de vernieuwingen is om de samenhang in statistiekkennis bij leerlingen te bevorderen. Criteria voor samenhangende statistiekkennis zijn: - dat leerlingen de onderliggende basisconcepten van de statistiek en hun onderlinge relaties herkennen, en - dat leerlingen weten wanneer ze welk statistisch gereedschap zinvol kunnen inzetten. Het voorbeeldlesmateriaal voor havo 4 en 5 dat op dit moment wordt ontwikkeld en getest wil die samenhang in statistiekkennis bevorderen door leerlingen kritisch te leren kijken naar gebruik van data en statistiek in bijvoorbeeld krantenberichten, door ze zelf te leren manipuleren met data-sets en door leerlingen zelf onderzoek te laten doen. Het begeleiden van dit soort activiteiten vergt van wiskundedocenten andere vaardigheden en kennis dan de meesten tot nu toe gewend waren. Mijn onderzoek richt zich op de vraag hoe docenten ondersteund kunnen worden bij het vormgeven van dit lesmateriaal in de lespraktijk zodat leerlingen inderdaad meer samenhangende statistiekkennis ontwikkelen. Uitgebreidere beschrijving onderzoek De vernieuwingscommissie wiskunde heeft nieuwe leerlijnen voorgesteld voor statistiek binnen wiskunde A en C, die beogen samenhangende kennis bij leerlingen te bevorderen. Bij deze nieuwe statistiekleerlijnen wordt voorbeeldlesmateriaal ontwikkeld. Een probleem is dat veel docenten niet goed zijn toegerust om dit materiaal in de lespraktijk vorm te geven, omdat: a. het in het algemeen niet gemakkelijk is om lesactiviteiten te begeleiden die moeten leiden tot samenhangende kennis, en b. veel docenten zelf niet zoveel kennis hebben van statistiek. Daarom onderzoekt Anneke Verschut de rol van de docent bij de implementatie onderzoeken. Haar onderzoeksvraag is: hoe kunnen docenten de vernieuwde statistiekleerlijnen voor wiskunde A in havo 4 en 5 in de lespraktijk zo vormgeven dat die leerlijnen bevorderen dat leerlingen samenhangende statistiekkennis ontwikkelen? Op basis van literatuuronderzoek, interviews met docenten, lesobservaties en een evaluatie van de interne samenhang van de beoogde leerlijnen worden prototypes opgesteld van ‘bijsluiters’. Hierin wordt beschreven wat de ideeën achter de nieuwe leerlijnen zijn en worden aanbevelingen gedaan hoe de docent de opbouw van samenhangende statistiekkennis bij leerlingen kan bevorderen. Vervolgens worden deze bijsluiters in een aantal cycli van ontwerponderzoek geëvalueerd en verbeterd door middel van lesobservaties en interviews met docenten, gecombineerd met interviews met leerlingen en nog te ontwikkelen testen waarmee de samenhang in de statistiekkennis van leerlingen gemeten zal worden. Het onderzoek leidt tot wetenschappelijke kennis over de rol van de docent bij het bevorderen van samenhangende kennis bij leerlingen, en tot aanbevelingen voor de implementatie van de nieuwe statistiekleerlijnen.
onderzoeker: Saskia van der Jagt, Coornhert Gymnasium, Gouda promotor/copromotor prof. dr. J.J. Beishuizen, Vrije Universiteit Amsterdam prof. dr. A. Pilot, Universiteit Utrecht dr. E.M.M. van Rens, Vrije Universiteit Amsterdam dr. H.H. Schalk, Vrije Universiteit Amsterdam presentatie ORD 2009 Saskia van der Jagt: “Op school ben ik sinds 2005 bezig met de ontwikkeling en implementatie van een leerlijn onderzoeksvaardigheden en ik vind het een uitdaging om op dit vakgebied verdiepend en verbredend onderzoek te doen.” Saskia van der Jagt (30) geeft les aan het Coornhert Gymnasium in Gouda: biologie en onderzoeken & ontwerpen. Sinds zeven jaar staat ze voor de klas. Ze werkt twee vaste dagen op school en drie dagen op de universiteit.
promotor/copromotor prof. dr. J.C.J.M. de Kroon, Radboud Universiteit Nijmegen prof. dr. K. Th. Boersma, Universiteit Utrecht dr. M.J.A. Kamp, Radboud Universiteit Nijmegen Micha Ummels: “Door onderwijs vanuit een ander perspectief te benaderen krijg ik een veel beter beeld van het leren van leerlingen wat me erg inspireert.” Micha Ummels (31) doceert voor het zesde jaar biologie. Op maandag en donderdag werkt hij op Nijmeegse Scholengemeenschap Groenewoud (NSG). De andere drie dagen op de universiteit. Samenvatting onderzoek Binnen de nieuw ontwikkelde concept-context modules zijn verschillende leeractiviteiten te onderscheiden. Micha probeert de relatie tussen enkele leeractiviteiten (zoals conceptmapping of het onderwijsleergesprek) en de samenhang in de kennis van leerlingen helder te krijgen. Uitgebreidere beschrijving onderzoek Leerlingen hebben moeite om biologische concepten te verbinden en deze te gebruiken bij het verklaren van biologische (maar ook andere natuurwetenschappelijke) verschijnselen. De concept-context benadering beoogt een bijdrage te leveren aan het oplossen van dit probleem. Daarbij wordt een context gezien als een authentieke handelingspraktijk waarbinnen deelnemers doelgerichte, cultuurhistorisch bepaalde activiteiten uitvoeren. De Commissie Vernieuwende Biologie Onderwijs onderscheidt drie contexten die segmenten uit de samenleving weerspiegelen: een leefwereld-, beroeps- en wetenschappelijke context. In elke context is bepaalde biologische kennis relevant waarbij de betekenis van de kennis wordt bepaald door de context. Een belangrijk proces in concept-context onderwijs is het proces van recontextualisatie: een concept dat in de ene context is verworven wordt in een nieuwe context gebruikt. Door het gebruik van een concept in verschillende contexten mag worden aangenomen dat het cognitieve netwerk van een leerling wordt verrijkt en de samenhang in kennis wordt vergroot. In dit onderzoek gaat het om de structurering van onderwijsleeractiviteiten binnen een concept-context lessenreeks over fotosynthese. Er zijn verschillende veelbelovende onderwijsleeractiviteiten geselecteerd waarbij leerlingen actief oefenen met het leggen van relaties tussen concepten en die aansluiten bij de eerdergenoemde oorzaken van het probleem. Het gaat hierbij om concept mapping, onderwijsleergesprekken met gerichte vragen van de docent, schrijfactiviteiten en componenten van de 'jojo'-strategie en advance organizers. Vanuit de literatuur en een vooronderzoek worden criteria geïdentificeerd waaraan deze onderwijsleeractiviteiten zouden moeten voldoen. Ook wordt informatie verzameld met betrekking tot moeilijkheden die worden ervaren bij het leren en onderwijzen van concepten met betrekking tot fotosynthese, en worden er contexten gekozen. Dit leidt tot een scenario waarbij relaties tussen instructie, leeractiviteiten en leerresultaten worden vastgelegd. In de cyclische onderzoeksfase wordt in enkele ronden volgens de principes van design research geprobeerd de kwaliteit van de lessenreeks te verbeteren. De uiteindelijke bevindingen zullen ontwikkelaars en docenten ondersteunen bij het ontwerpen en uitvoeren van concept-context modules en zal het inzicht in leerprocessen van leerlingen gericht op samenhang vergroten.
onderzoeker: Sonia Palha, Het Oosterlicht College, Nieuwegein promotor/copromotor prof. Dr. B.H.A.M. van Hout-Wolters dr. R. Dekker Universiteit van Amsterdam Sonia Palha: “Het onderwerp spreekt me erg aan en het gaat om een probleem waarmee ik zelf al een tijd worstel.” Sonia Palha (35) is docente wiskunde. Ze geeft nu tien jaar les en werkt op Het Oosterlicht College in Nieuwegein met uitzondering van dit schooljaar. Sonia werkt vier dagen per week: drie dagen op het ILO en één dag op het Freudenthal Instituut. Samenvatting onderzoek Wiskundig discussiëren en redeneren is essentieel voor reflectie en abstractie en daardoor voor wiskundige niveauverhoging. In dit onderzoek wordt wiskundig discussiëren en redeneren als een te ontwikkelen vaardigheid beschouwd. Met dit doel worden bepaalde wiskundeopdrachten, zogenaamde schakelopdrachten ontwikkeld en ingezet, samen met een aansluitende didactiek. Onderzocht wordt of dit tot wiskundige niveauverhoging bij de leerlingen leidt. Uitgebreidere beschrijving onderzoek Het leren discussiëren en redeneren wordt in (internationale) wiskundeonderwijskringen zeer belangrijk gevonden. Huidige wiskundemethoden zijn er dan ook op gericht leerlingen grotendeels zelfstandig te laten werken. Leerlingen mogen onderling overleggen en uitleg vindt plaats als daarom gevraagd wordt. Docenten hebben echter vaak het gevoel dat het leren te weinig indringend is. Ook zou het vermogen wiskundig te redeneren te weinig ontwikkeld worden. Tempoverschillen tussen leerlingen reduceert onderling overleg. Wiskundig discussiëren, waardoor verantwoording (redeneren) en reconstructie (niveauverhoging) op gang worden gebracht, komt weinig voor. Dit onderzoek levert een bijdrage aan het ontwerpen van wiskundeonderwijs door docenten. Wiskundig discussiëren, redeneren en niveauverhoging van leerlingen staan daarbij centraal, naast meer informatie over de manier waarop docenten schakelopdrachten - deze voldoen aan de criteria voor niveauverhoging door samenwerkend leren - kunnen ontwerpen. Tevens wordt duidelijk welke hulp bij schakelopdrachten het meest effectief is. De verwachte opbrengst is meer kennis over het ontwikkelen van het wiskundig redeneren bij leerlingen en de rol van de docent daarbij. Praktische opbrengst is een serie schakelopdrachten voor wiskundige niveauverhoging. Sonia Palha zal voor 5 vwo schakelopdrachten ontwerpen. Daartoe is een diepgaande analyse van de wiskundige inhoud van de hoofdstukken nodig. Try-outs moeten aantonen of de opdrachten tot wiskundig discussiëren, redeneren en niveauverhoging leiden. In het tweede deel van het onderzoek worden de hoofdstukken in een aantal klassen met schakelopdrachten uitgevoerd. Door video-opnames, voor- en natoetsen wordt onderzocht of in de klassen met de schakelopdrachten meer niveauverhoging bereikt wordt dan in de klassen waar de hoofdstukken op de reguliere manier worden behandeld.
onderzoeker: Michiel Dam, Scala College, Alphen aan den Rijn promotor/copromotor prof. Dr. J.H van Driel dr. ir. F.J.J.M. Janssen Universiteit Leiden Michiel Dam: “Ik houd ervan de wereld om mij heen te onderzoeken; de onderwijsvernieuwing is gebaat bij gedegen onderzoek.” Michiel Dam (28) geeft sinds vijf jaar biologie en werkt op het Scala College in Alphen aan den Rijn. Hij werkt drie dagen per week aan het onderzoek en geeft twee ochtenden les. Samenvatting onderzoek Het is een onderzoek in twee fasen: 1) Welke opvattingen hebben biologiedocenten over het concept-context onderwijs? 2) Hoe kan op deze opvattingen worden voortgebouwd, zodat ze gemotiveerd lessen kunnen ontwerpen in lijn met de concept-context benadering? Uitgebreidere beschrijving onderzoek De huidige vernieuwing van het biologieonderwijs staat in het teken van de concept-context benadering. Twee uitgangspunten zijn daarbij belangrijk: sluit aan bij en bouw voort op al bestaande opvattingen van docenten èn beschouw hen ook als medevormgevers van onderwijsvernieuwing. In een cyclisch proces ontwikkelen docenten immers niet alleen hun onderwijspraktijk, maar ook hun opvattingen over onderwijs. Hiermee zijn echter slechts de globale contouren van een professionaliseringstraject bepaald. Allereerst moet worden vastgesteld bij welke opvattingen van biologiedocenten moet worden aangesloten. Daarbij is het van belang te weten welke gedragsnabije opvattingen de belangrijkste determinanten voor gedrag zijn in lijn met de concept-context benadering. Vervolgens moet worden bepaald hoe dergelijke opvattingen in de gewenste richting kunnen worden ontwikkeld. Dit onderzoek van Michiel Dam verschaft inzicht in de belangrijkste opvattingen die het uitvoeren van concept-context biologieonderwijs beïnvloeden. De resultaten zijn ook informatief voor professionaliseringstrajecten waarin niet wordt uitgegaan van een succesgestuurde en op leereffect gerichte werkwijze. Tevens wordt inzicht verkregen in kenmerken van een effectief professionaliseringstraject ten behoeve van de invoering van concept-context onderwijs. Ook ontstaat kennis over de wijze waarop verschillende typen docenten hierin optimaal kunnen worden ondersteund. Op basis van een kleinschalige interviewstudie wordt een gestandaardiseerde vragenlijst ontwikkeld die wordt uitgezet onder zo’n duizend biologiedocenten. De analyse is niet alleen gericht op het identificeren van bepalende controle-, gedrags- en normatieve opvattingen. Middels multiple regressie wordt ook inzicht verkregen in het relatieve belang van dit type opvattingen voor gedragsvoornemens met betrekking tot het uitvoeren van concept-context onderwijs. Vervolgens wordt onderzoek gedaan naar het verloop en resultaat van een professionaliseringstraject voor verschillende typen docenten. Op basis van deze gegevens kunnen voor iedere docent veranderingen in opvattingen, gedragsvoornemens, gedrag en resulterende leereffecten bij leerlingen worden vastgesteld. Daarbij zal ook worden nagegaan wat de verschillen en overeenkomsten zijn in het leerproces en resultaat voor de verschillende typen docenten. ![]()
onderzoeker: Joke Zwarteveen, ROC Deltion, Zwolle promotor prof.dr. J.M. Pieters, Universiteit Twente begeleiders dr. N.C. Verhoef, Universiteit Twente, ELAN Dr. H.P. Hendrikse, Universiteit Twente, ELAN adviseurs prof.dr. K. P. E. Gravemeijer, Technische Universiteit Eindhoven dr. N.C. Verhoef prof.dr. S.A. van Gills Universiteit Twente paper ORD 2010 paper ORD 2009 paper bijlage IV paper bijlage V poster ORD 2009 Joke Zwarteveen: ““Ik wil graag moderne inzichten in de leerpsychologie en mijn eigen ervaringen op het gebied van didactiek inzetten om mijn collega`s een dienstbare en beproefde lesmethode voor te stellen.” Joke Zwarteveen (1950) geeft wiskunde op havo en vwo aan het vavo van ROC Deltion in Zwolle, waar ze sinds 1994 werkt in het volwassenonderwijs. Daarvoor heeft ze op diverse scholen gewerkt: voortgezet onderwijs, avondonderwijs, projectonderwijs, pabo. En heel veel bijlessen gegeven. Bij voorkeur werkt ze nu op maandag en dinsdag voor het avondonderwijs en de andere drie dagen voor Dudoc. Ze gaat het Dudoc-onderzoek doen omdat ze van mening is dat er over dit onderwerp veel slechte leerboeken bestaan, de leerlingen dit een heel moeilijk onderwerp vinden en differentiaalvergelijkingen in technische vervolgopleidingen een grote rol spelen. Samenvatting onderzoek Joke onderzoekt de leerprocessen van de leerling als deze het concept differentiaalvergelijkingen moet leren, met name als deze een differentiaalvergelijking moet opstellen zonder gebruik van ICT. Met de kennis daarover (en vakkennis van het onderwerp) ontwerpt ze aanwijzingen voor een didactiek bij dit onderwerp. Uitgebreidere beschrijving onderzoek In het hedendaagse voortgezet onderwijs spelen structuren van wiskundige objecten nauwelijks nog een rol. Het zelfstandig leren van leerlingen wordt veelal vertaald in het boek volgen op basis van een voorgeprogrammeerde studiewijzer. Vanwege een overvol examenprogramma ontbreekt tijd en ruimte voor reflectie en wiskundige diepgang. Deze onderwijspraktijk doet het wiskundeonderwijs geen goed. Het onderzoek van Joke Zwarteveen wil een theoretisch en in de praktijk getoetst fundament leggen om het onderwerp differentiaalvergelijkingen op verantwoorde wijze in de vernieuwde bètavakken te introduceren en vakoverstijgend te integreren. Het vakoverstijgende aspect komt vooral naar voren in de toepassingen van differentiaalvergelijkingen. Onder andere daarom beperkt het onderzoek zich tot het onderdeel opstellen van een differentiaalvergelijking. Een andere reden is dat het opstellen van een differentiaalvergelijking een speciale vorm van modelleren is, een onderwerp dat in de vernieuwde wiskunde een belangrijke rol krijgt toebedeeld. In de eerste fase, het schooljaar 2008/2009, werd met behulp van een literatuurstudie een prototype van een framework ontworpen dat de onderscheiden fasen van het opstellen van een differentiaalvergelijking omvat. Dit framework moet als classificatie-instrument gaan dienen om de leerprocessen van de leerling in kaart te brengen. Het nadrukkelijk aan de orde stellen van de in dit framework genoemde fasen bij het behandelen van het opstellen van een differentiaalvergelijking, is tevens een handreiking voor een didactiek. De bruikbaarheid ervan als classificatie-instrument is door middel van een aantal interviews met eerstejaarsstudenten en schriftelijk werk van collega`s beproefd.
onderzoeker: Paul Logman, Vellesan College, IJmuiden (Velsen-zuid) promotor/copromotor prof.dr. Ton Ellermeijer, Universiteit van Amsterdam, AMSTEL Instituut Paul Logman: “Het begrip energie is een centraal begrip in de natuurkunde en ik ben zeer blij de tijd gekregen te hebben om de invoering van dit begrip degelijk te kunnen onderzoeken.” Paul Logman (41) is gestart met het onderzoek waarbij vorig jaar een andere docent-onderzoeker was betrokken. Hij staat sinds 1994 voor de klas en geeft natuurkunde op het Vellesan College in IJmuiden. Paul combineert school en onderzoek door vanaf 1 januari op de woensdagen en donderdagen aan het onderzoek te werken. Vanaf 1 augustus zal hij drie dagen per week aan het onderzoek werken. Samenvatting onderzoek Ik onderzoek hoe leerlingen vanuit verschillende contexten bij het onderwerp energie uiteindelijk komen tot een juist begrip van het concept energie. Uitgebreidere beschrijving onderzoek Bij de vernieuwing van de bètavakken wordt sterk ingezet op contextgerelateerd onderwijs. Thema van het onderzoek is de spanning tussen de specificiteit van contexten en de generaliteit van concepten. De verwachting is dat de rol van contexten in een voortgezet leerproces niet gelijk blijft. Men wil weten hoe de veranderende relatie tussen context en concept te beschrijven is in een probleemstellend geleid leerproces waarin leerlingen een succesvolle abstractie beleven. De case voor het onderzoek is het energiebegrip. Bij energie ligt het gebruik van maatschappelijke en persoonlijk relevante contexten voor de hand. Maar met het energiebegrip kunnen ook processen worden begrepen waar geen direct menselijk of maatschappelijk nut in het geding is. Daarnaast is het een begrip dat ontstaan is uit diverse praktijken en over die praktijken heen een soort van metabegrip vormt. De generalisatie die nodig is om dit metaniveau te bereiken en de algemene toepasbaarheid van dit abstracte begrip maakt het voor leerlingen niet eenvoudig om een wetenschappelijke kijk op dit begrip te ontwikkelen. De onderzoeksmethode is ontwikkelingsonderzoek: in twee of drie cycli wordt onderwijsmateriaal vervaardigd en getest. Het testen gebeurt aanvankelijk op één school, met beoogde uitbreiding naar drie of vier scholen. Gesprekken tussen leerlingen en tussen leerling en docent worden gebruikt om zicht te krijgen op ontwikkelingen in de betekenis van het concept energie voor de leerlingen en de wendbaarheid in hun toepassing van dit concept op problemen uit verschillende contexten. De resultaten van het onderzoek zullen toepasbaar zijn in bovenbouw natuurkundeonderwijs, en de overgang van onderbouw naar bovenbouw. Als onderwijsresultaat mikt men op onderwijsmateriaal dat een abstract energiebegrip bij leerlingen genereert. Een energiebegrip dat door leerlingen bruikbaar gevonden wordt en wendbaar ingezet kan worden in verschillende contexten (van huishoudelijke apparatuur en de banen van planeten tot interacties tussen elementaire deeltjes). Ook levert het onderzoek een bijdrage aan de theorie over wendbaarheid van concepten en een model voor de veranderende relatie tussen context en concept in de opeenvolgende stadia van een leerproces. Highlights![]() BètaCoöperatie VO bundelt krachten voor de toekomst ![]() Nieuwe NLT-modules gecertificeerd ![]() Duurzaam Bètakrant is uit! AgendaInloggen |