Onderzoeken eerste ronde

De onderzoeken
1. Modelgestuurd leren ontwerpen van concept-context onderwijs door biologiedocenten, Universiteit Leiden  
2. Leren van docenten bij vakoverstijgende samenwerking bij het invoeren en verzorgen van NLT, Universiteit Twente
3. Participatie van docenten in ontwerpteams: professionalisering als ontwerper en uitvoerder van concept-context gebaseerd materiaal, Technische Universiteit Eindhoven
4. Statistiek als brug tussen wiskunde en natuurwetenschappen, Universiteit Utrecht
5. ICT voor het verwerven en toetsen van doorstroomrelevante wiskundige vaardigheden, Universiteit Utrecht
6. Mathematiseren als schakel bij het modelleren: kansen en belemmeringen bij leerlingen tijdens het opstellen van wiskundige modellen, Rijksuniversiteit Groningen
7. Recontextualiseren in de concept-contextbenadering, Universiteit Utrecht
8. Ontwikkeling van een leerlijn wetenschappelijk argumenteren binnen het vwo, Rijksuniversiteit Groningen

Hoe vergaat het de acht Dudoc-onderzoekers die in 2007 zijn begonnen?
In september 2007 ging de eerste groep docent-onderzoekers van start. Elf docenten waren na een sollicitatieprocedure geselecteerd voor hun onderzoek. Per oktober 2008 zijn acht onderzoekers hun tweede Dudoc-jaar ingegaan. Eén onderzoeker besloot in 2007 voor aanvang van zijn onderzoek, niet te participeren in Dudoc. Twee onderzoekers zijn in de loop van het eerste jaar van hun onderzoek gestopt. Eén van die onderzoeken, ‘Een vakoverstijgende leerlijn voor leren onderzoeken in de bètavakken’ aan de Vrije Universiteit Amsterdam, is in september 2008 overgenomen door Saskia van der Jagt. Zij heeft ook weer vier jaar (0,6fte) voor haar promotieonderzoek.




1. Modelgestuurd leren ontwerpen van concept-context onderwijs door biologiedocenten
Universiteit Leiden

onderzoeker: Nienke Wieringa, Zandvlietcollege, Den Haag
promotor/copromotor
prof. dr. J.H van Driel
dr. ir. F.J.J.M. Janssen
Universiteit Leiden

Lees de beschrijving van dit onderzoeksproject

Nienke Wieringa:
“Het voortdurend schakelen tussen onderwijs en onderzoek maakt mijn werkweek onrustig, maar ook compleet en uitdagend.”
Nienke Wieringa (29) is docente biologie aan het Zandvlietcollege te Den Haag. Ze staat sinds twee voor de klas in het voortgezet onderwijs.

In het kort
Docenten zijn in belangrijke mate de vormgevers van hun eigen onderwijs, ook tijdens onderwijsvernieuwingen. Nienke Wieringa onderzoekt hoe biologiedocenten concept-contextonderwijs ontwerpen en in hoeverre het perspectievenmodel van Fred Jansssen biologiedocenten kan ondersteunen bij het ontwerpen van concept-contextonderwijs.

Hoe gaat het?
Het voortdurend schakelen tussen onderwijs en onderzoek maakt mijn werkweek onrustig, maar ook compleet en uitdagend. In mijn werk als onderzoeker krijgt de ‘bezinner’ in mij de ruimte. Als onderzoeker krijg ik toegang tot veel nieuwe ideeën op het gebied van de didactiek van de biologie, en leer ik veel van de docenten die deelnemen aan mijn onderzoek. Het afgelopen jaar heb ik me georiënteerd op de manieren waarop de concept-contextbenadering wordt vormgegeven. Daarna heb ik mijn onderzoeksplannen uitgewerkt en ben ik aan de slag gegaan met docenten die concept-contextlessen ontwerpen.
Door het onderzoek ben ik (nóg) kritischer gaan kijken naar mijn eigen lessen. Wat leren mijn leerlingen nu echt en waarom is dat relevant? Ik krijg vooral veel meer inzicht in de manier waarop andere docenten denken, wat hun overtuigingen zijn en hoe ze hun onderwijs vormgeven. Bovendien krijg ik inzicht in de manier waarop de context-concept benadering in de praktijk van het biologieonderwijs een plaats kan krijgen, en in hoeverre deze benadering aansluit bij de overtuigingen van biologiedocenten.

Uitgebreidere beschrijving
Bij de vernieuwing van het biologieonderwijs wordt van docenten verwacht dat ze concept-context onderwijs niet alleen kunnen uitvoeren maar ook zelf kunnen ontwerpen. Dat is echter niet eenvoudig. Dit onderzoek levert een beproefd biologiedidactisch model op waarmee docenten en schoolboekschrijvers in beperkte tijd concept-context lessen kunnen ontwikkelen die passen bij hun eigen mogelijkheden en wensen.

Het onderzoek verschaft inzicht in de condities die ontwerpen van concept-context lessen door docenten belemmeren en bevorderen. Ook leidt het tot meer inzicht in verschillende varianten van concept-context onderwijs. Er zullen tien korte concept-context lessenseries worden opgesteld over verschillende (centrale) biologische concepten. Bovendien leidt het onderzoek tot professionalisering van de tien deelnemende docenten, die hun kennis kunnen gebruiken bij het begeleiden van hun biologiedocenten-in-opleiding.

Bij het onderzoek wordt het biologiedidactisch model van Fred Janssen gebruikt. De kern van het model bestaat uit tien perspectieven (invalshoeken) die docenten helpen bij de keuze van contexten. Deze perspectieven zijn uitgewerkt tot strategieën die kunnen helpen bij het stellen en beantwoorden van vragen binnen de betreffende context. Onderzocht wordt in hoeverre en onder welke condities het biologiedidactisch model bijdraagt aan ontwikkeling van concept-context lessen en bijbehorende vak(didactische)kennis.




2. Leren van docenten bij vakoverstijgende samenwerking bij het invoeren en verzorgen van een NLT-module
Universiteit Twente

onderzoeker: Talitha Visser, CSG Het Noordik, Almelo
promotor/copromotor
prof.dr. J.Pieters
drs. F.G.M. Coenders
Universiteit Twente

Lees de beschrijving van dit onderzoeksproject

Talitha Visser:
“Ik heb het gevoel dat ik me dagelijks professionaliseer en dus veel nieuwe dingen leer.” 
 Talitha Visser (27) doceert dit jaar scheikunde en Natuur Leven & Technologie. Ze staat sinds twee jaar voor de klas aan de CSG Het Noordik te Almelo.

In het kort
Het onderzoek van Talitha Visser tracht een verband te leggen tussen de stimulerende en belemmerende elementen van een invoeringsscenario voor een NLT-module, en de ontwikkeling van de kennisbasis en opvattingen van NLT-docenten.

Hoe gaat het?
Door mijn onderzoek heb ik de mogelijkheid om bij verschillende scholen binnen te kijken. Meer dan voorheen zie ik nu hoe op verschillende vlakken nog wat verbeterd kan worden. Ik leer allerlei zaken die mijn eigen manier van lesgeven kunnen verbeteren. Ik heb het gevoel dat ik me dagelijks professionaliseer en dus veel nieuwe dingen leer.
Het eerste onderzoeksjaar ben ik begonnen met het schrijven van een onderzoeksplan. Bij acht verschillende NLT-invoerscholen heb ik een interview afgenomen, waarin werd gevraagd naar de manier waarop een NLT-module is ingevoerd. Deze data ben ik nu aan het analyseren. Lesgeven en onderzoek is een unieke, perfect afwisselende combinatie die echter wel veel organisatie, planning en flexibiliteit vereist.

Uitgebreidere beschrijving
Invoering van een nieuw vak op school is ingewikkeld. Bij het nieuwe vak NLT hebben docenten te maken met diverse nieuwe aspecten: het vak is opgebouwd uit losse modules waarvan de domeinen over de grenzen van de traditionele mono-bètavakken heen gaan. Docenten moeten zich nieuwe kennis, vaardigheden en routines eigen maken. Bovendien moeten docenten van verschillende bètavakken samenwerken bij de invoering van door anderen ontwikkelde modules.

Welk soort bètadocenten moet betrokken worden bij de invoering van NLT op school, hoe moeten ze worden voorbereid, welke samenwerkingsverbanden zijn belangrijk, en welke faciliteiten dienen op school aanwezig dienen? Dit onderzoek moet leiden tot het opstellen van kenmerken van succesvolle invoeringsscenario's in het licht van het leren van docenten en hun leerlingen.

Het inrichten van rijke leeromgevingen voor docenten, en het kunnen sturen van leerprocessen van docenten zijn voor een soepele invoering cruciaal. Dit onderzoek tracht een verband te leggen tussen een invoeringsscenario op school en eventuele stimulerende of belemmerende factoren, en het leren van docenten.

Onderzocht wordt welke invoeringsscenario's enkele Twentse scholen hanteren. Daaruit (en uit nadere literatuurstudie) blijkt welke strategie het beste past. Ook wordt onderzocht over welke kennisbasis en opvattingen NLT-docenten beschikken vóór het invoeren van een NLT-module en hoe zich dit ontwikkelt bij de invoering van een module. Vergeleken wordt wat leerlingen leren in de scholen die de module volgens de strategie invoeren met wat leerlingen leren in de andere scholen, zowel cognitief als affectief.




3. Participatie van docenten in ontwerpteams: professionalisering als ontwerper en uitvoerder van concept-context gebaseerd materiaal
Technische Universiteit Eindhoven

onderzoeker: Lesley de Putter-Smits, Heerbeeck College, Best
promotor/copromotor
prof.dr. W. Jochems, Eindhoven School of Education
prof. dr. J.H. van Driel, ICLON
dr. R. Taconis, Technische Universiteit Eindhoven

Lees de beschrijving van dit onderzoeksproject
Handouts ORD 2010
Presentatie ORD 2009

Lesley de Putter - Smits:
“Het levert een diepgang waarvan ik van tevoren geen weet had.”
Lesley de Putter - Smits (33) staat nu zeven jaar voor de klas. Zij doceert natuurkunde op het Heerbeeck College in Best.

 

In het kort
Het onderzoek van Lesley de Putter-Smits richt zich op docenten die werken in ontwerpteams voor nieuw concept-in-context gebaseerd lesmateriaal voor de bètavakken. Lesley verdiept zich in de professionalisering in de concept-in-context benadering van de docenten en kijkt naar de wijze waarop zij deze competenties verworven hebben.

 

Hoe gaat het?
Door mijn onderzoek kijk ik anders tegen lesgeven aan. Ik merk dat ik meer buiten het schoolleven sta dan erin, waardoor ik op een andere manier naar mezelf kijk als ik lesgeef. Ook ga ik anders met leerlingen om, ik betrek veel meer contexten bij de lessen en stel hogere eisen aan hun zelfstandigheid. Het bekijken en analyseren van lessen, het lezen van de achtergronden bij onderwijskundige theorieën, levert een diepgang waarvan ik van tevoren geen weet had.
In het eerste halfjaar heb ik veel literatuur gelezen. Het tweede halfjaar ben ik gaan observeren in de klassen, waar de concept-in-context lessen in de bètavakken gegeven worden. In mijn tweede jaar ben ik begonnen met de uitwerking van de observaties, interviews en vragenlijsten om tot een artikel te komen. Na de eerste afwijzing van dat paper moet je toch wel even slikken. We hebben nu gekozen voor een ander (methodologisch) tijdschrift. Waarschijnlijk past mijn soort onderzoek daar beter in. Mijn instrument is nu gebruikt om 34 docenten van wie er 25 lesmateriaal hebben ontworpen voor de nieuwe curricula biologie, natuurkunde, NLT en scheikunde te bestuderen. Dat ben ik aan het analyseren, waaruit de ideale omstandigheden voor een nascholingscursus gaan rollen (september 2010).  De combinatie van lesgeven en onderzoek doen blijft druk. Ondertussen ben ik zo geroutineerd in plannen en je eraan houden dat ik me daar niet meer zo druk over maak.


Uitgebreidere beschrijving
Binnen de huidige innovatie van het bètaonderwijs speelt de docent een belangrijke rol als ontwerper en uitvoerder van nieuw lesmateriaal dat gebaseerd is op de concept-context-benadering. Dit onderzoek richt zich op de effecten van docentparticipatie in curriculum- en materiaalontwikkeling voor de diverse bèta vakken (natuurkunde, scheikunde, biologie en NLT). Het gaat zowel om de professionalisering van docenten als ontwerpers als als uitvoerders. Het onderzoek levert duidelijke richtlijnen op waaraan ‘learning communities’ van docenten en vakdidactici moeten voldoen.

Literatuurstudie en een theoretische analyse van de concept-context-benadering en innovatieprocessen zullen informatie opleveren over factoren op die van invloed zijn op het functioneren en professionaliseren van docenten-ontwikkelteams als ‘learning communities’. Vergelijkende casestudies naar het leren ontwerpen binnen enkele ontwerpteams verschaffen inzicht in hoeverre de ontwerpteams voldoen aan de voorwaarden van ‘learning communities’, of de beoogde professionalisering bij individuele docenten plaatsvindt en hoe dit samenhangt met de kenmerken van het team en met de mate/aard van hun participatie daarin.

Een interventiestudie bij enkele teams, die in verschillende mate voldoen aan de voorwaarden van ‘learning communities’, wordt gedaan om te komen tot goede richtlijnen. Hiertoe wordt grondig geëvalueerd met de teamleiding en zullen er confrontaties zijn met eerder verworven inzichten. Ook na de interventie wordt het team als case gevolgd.

Het professionaliseringseffect op het vermogen tot implementeren wordt bestudeerd via een analyse van de wijze waarop docenten onderwijs geven met context-concept-lesmateriaal. Door lesobservaties en nabesprekingen wordt nagegaan in hoeverre docenten hebben geleerd hun onderwijs af te stemmen en te baseren op werkwijzen en inzichten van de concept-context-benadering.




4. Statistiek als brug tussen wiskunde en natuurwetenschappen
Universiteit Utrecht

onderzoeker: Adri Dierdorp, College Hageveld, Heemstede
promotor/copromotor
prof.dr. Harrie M. C. Eijkelhof
prof.dr. Jan A. van Maanen
dr. Arthur Bakker
Universiteit Utrecht

Lees de beschrijving van dit onderzoeksproject
Proposal 2009
Abstract 2008

Adri Dierdorp:
“Vooral de koppeling van theorie en praktijk is uitermate boeiend”
Adri Dierdorp (50) is docent wiskunde aan het College Hageveld in Heemstede. Hij staat 25 jaar voor de klas.

In het kort
In lijn met een aantal recente ontwikkelingen onderzoekt Adri Dierdorp welke kenmerken een valide en effectieve onderwijsleerstrategie moet hebben om leerlingen statistisch te leren modelleren binnen gedidactiseerde handelingspraktijken.

Hoe gaat het?
Nu ik dit onderzoek doe ben ik nog meer gemotiveerd om didactische principes uit te testen. Vooral de koppeling van theorie en praktijk is uitermate boeiend. Ik heb het eerst onderzoeksjaar het onderzoeksplan gecompleteerd en een start gemaakt met een ontwerp voor lesstof.

Uitgebreidere beschrijving
Statistiek is een multidisciplinair vakgebied dat grotendeels ontstaan is vanuit de natuurwetenschappen. Statistisch modelleren in verschillende natuurwetenschappelijke contexten lijkt daarom een geschikte activiteit om leerlingen de samenhang tussen de bètavakken te laten ervaren. Dergelijke contexten, opgevat als handelingspraktijken, moeten dan zo gedidactiseerd worden dat leerlingen de relevante statistische kennis en vaardigheden kunnen ontwikkelen. Hiervoor zijn empirisch en theoretisch onderbouwde ontwerpstrategieën nodig.

Dit onderzoek gaat na hoe 5-vwo-leerlingen met een N&T-profiel kunnen leren statistisch modelleren in gedidactiseerde natuurwetenschappelijke handelingspraktijken. Ook wordt onderzocht hoe het proces van generaliseren verloopt bij leerlingen die wiskundige en natuurwetenschappelijke kennis ontwikkelen.

Het onderzoek verbindt wiskunde en de natuurwetenschappen. Er wordt een geavanceerde statistische modelleertechniek functioneel en op niveau ontwikkeld, toegepast en getoetst in verschillende natuurwetenschappelijke handelingspraktijken. Een voorbeeld daarvan is het optimaliseren van drinkwaterzuivering en van kasplantengroei.

De basis van het onderzoek is de ontwikkeling en evaluatie van een NLT-module. Drie biologische, chemische en/of fysische handelingspraktijken met gevalsstudies worden onderzocht om de informatie te identificeren die nodig is voor het didactiseren. In eerder onderzoek zijn hiervoor onderzoeksinstrumenten ontwikkeld. Met ontwikkelingsonderzoek wordt een module ontwikkeld en geëvalueerd, waarbij het centraal methodisch instrument een hypothetisch leertraject is. Dit bestaat uit vastgestelde voorkennis van leerlingen, een einddoel en een serie onderwijsactiviteiten met bijbehorende verwachtingen over het leerproces. Daarmee heeft het hypothetisch leertraject twee functies. Ten eerste dient het om te voorspellen en toetsen hoe de leerlingen de beoogde statistische technieken ontwikkelen. Ten tweede dient het om het generaliseren en integreren van wiskundige en natuurwetenschappelijke kennis te analyseren. De analyse is gebaseerd op audio- en video-opnames, leerlingwerk, observaties en toetsen.




5. ICT voor het verwerven en toetsen van doorstroomrelevante wiskundige vaardigheden
Universiteit Utrecht

onderzoeker: Christian Bokhove, St. Michael College, Zaandam
promotor/copromotor
prof.dr. J.A. van Maanen
dr.P.H.M. Drijvers
Universiteit Utrecht

Lees de beschrijving van dit onderzoeksproject

presentatie januari 2010
presentatie april 2009
diverse artikelen
Bokhove, C. (in press). Implementing feedback in a digital tool for symbol sense. In press. International Journal for Technology in Mathematics Education.
Bokhove, C., & Drijvers, P. (in press). Symbol sense behavior in digital activities. In press. For the Learning of Mathematics.
artikel Use of ICT in formative scenario\'s for algebraic skills (2008)

Christian Bokhove:
“De praktijk is gebaat bij theorie en theorie bij de praktijk.”
Christian Bokhove (33) doceert wiskunde en informatica aan het St. Michael College in Zaandam. Sinds tien jaar staat hij voor de klas.

In het kort
Christian Bokhove onderzoekt op welke manier de inzet van ict in het voortgezet onderwijs een bijdrage kan leveren aan het verwerven, oefenen en toetsen van doorstroomrelevante wiskundige vaardigheden.

Hoe gaat het?
Het meest interessant vind ik het tot op detailniveau uitwerken van een theoretisch kader en methodologie, om deze uiteindelijk samen te laten komen in een interventie in de klas. In het eerste onderzoeksjaar heb ik het onderzoeksplan uitgewerkt, een eerste prototype gemaakt en verbeterd in één-op-één experimenten.
Het onderzoek heeft bij mij nog meer benadrukt dat de praktijk gebaat is bij theorie en theorie bij praktijk. Het levert me nu al het inzicht op dat kwalitatief goede feedback in een computertool kan bijdragen aan het leren van de leerling. De combinatie van lesgeven en onderzoek doen bevalt me goed, omdat theorie en praktijk hand in hand gaan en moeten gaan. Maar minder lesgeven is ook wel weer jammer.

Uitgebreidere beschrijving
In dit onderzoek bekijken we op welke wijze ICT een rol kan spelen bij het oefenen, verwerven en toetsen van wiskundige vaardigheden, in het bijzonder algabraïsche vaardigheden.
In de eerste fase formuleerden we criteria voor digitale algebrasoftware en beoordeelden we aan de hand hiervan de vele tools die er zijn. Vervolgens werd met behulp van de gekozen tool een prototype ontworpen dat ingezet werd in enkele één-op-één sessies. Deze sessie dienden om (i) het prototype zelf te verbeteren, en (ii) op kwalitatieve wijze inzicht te krijgen in de wijze waarop leerlingen zowel inzicht als vaardigheden leren.
Op basis van deze resultaten werd het prototype wederom bijgesteld en uitgewerkt tot een digitale module, bestaande uit 4 tot 6 klokuren. De module werd begin 2010 bij twee wiskunde B 6vwo groepen aan de RSG Enkhuizen ingezet.
Momenteel worden de data geanalyseerd, onder andere door middel van datamining.




6. Mathematiseren als schakel bij het modelleren: kansen en belemmeringen bij leerlingen tijdens het opstellen van wiskundige modellen
Rijksuniversiteit Groningen

onderzoeker: Sanne Schaap, Marecollege, Leiden
promotor/copromotor
prof.dr. M.J. Goedhart
dr. P. Vos
Rijksuniversiteit Groningen

Lees de beschrijving van dit onderzoeksproject

Sanne Schaap:
“Ik vind het een voorrecht om lesgeven en onderzoek doen te mogen combineren”
Sanne Schaap (32) doceert wiskunde aan het Marecollege in Leiden. Hij geeft sinds vijf jaar les.

In het kort
Tegen wat voor problemen lopen leerlingen aan wanneer zij tijdens het maken van  modelleeropgaven bezig zijn met het opstellen van een wiskundig model? Welke leermogelijkheden hebben leerlingen om verbetering in dit proces tot stand te brengen? Sanne onderzoekt dit.

Hoe gaat het?
Door onderzoek te doen maak ik via vakliteratuur kennis met opvattingen over hoe leerlingen wiskunde zouden moeten leren. Dit maakt mij bewust van de vele verbeteringen die er mogelijk zijn in het huidige onderwijs. De opgedane literatuurkennis en deze bewustwording motiveren mij te zoeken naar beter wiskundeonderwijs en nieuwe theorieën op het gebied van modelleren. Ik heb via onderzoek doen gemerkt dat er al veel bekend is over het leren en aanleren van wiskunde. Weinig docenten zijn hiervan echter op de hoogte en dat is jammer. Het zou goed zijn als alle docenten in hun taakuren ruim de tijd krijgen om kennis te maken met – voor hen – nieuwe lesmethoden en inzichten. In mijn eerste onderzoeksjaar heb ik me ingelezen in de vakliteratuur, een onderzoeksplan geschreven, een pilot-studie gedaan om mijn instrumenten en analysekader voor de eerste deelstudie te valideren, examenwerk van het CSE van diverse scholen verzameld en aan een eerste analyse onderworpen, en landelijke scores van centrale examens opgevraagd. Ik vind het een voorrecht om lesgeven en onderzoek doen te mogen combineren en doe dat ook – ondanks dat het met tussenpozen zwaar is – met veel plezier.

Uitgebreidere beschrijving
Dit onderzoek gaat na welke leermogelijkheden leerlingen hebben om te komen tot mathematiseren (het vertalen van een probleem naar een wiskundig model, veelal een formule) en hoe belemmeringen bij het mathematiseren opgeheven kunnen worden. Doel is onderwijs te ontwerpen waarmee leerlingen leren zelf wiskundige modellen te produceren.
In het huidige wiskundeonderwijs wordt het mathematiseren vaak omzeild door een context mét een formule aan te reiken. Leerlingen vatten een formule vaak op als een ‘rekenvoorschrift’, niet als een verband tussen grootheden. Ook bij modelleertaken in andere bètavakken wordt de formule vaak kant-en-klaar aangereikt. Met het overslaan van het mathematiseren krijgt een leerling weinig inzicht in wat zich ‘onder de motorkap’ voordoet.

Het onderzoek zal opleveren: een classificatie van mathematiseervaardigheden die tot een verheldering van de mechanismen bij het modelleren leidt, en ontwerpprincipes voor het incorporeren van mathematiseervaardigheden in het bètaonderwijs.

Via ‘hardop denksessies’ met leerlingen aan de hand van modelleertaken worden leerpotenties van leerlingen systematisch in kaart gebracht. Er wordt een serie vakoverstijgende proeflessen ontworpen en getest. Bij de exemplarische mathematiseertaken wordt uitgegaan van bètabrede contexten (bijvoorbeeld remweg, epidemie en reactiesnelheid), waarin de verbanden modelleerbaar zijn voor leerlingen van 4/5-havo/vwo in de N-profielen. Wiskundig gaat het om lineaire, kwadratische of exponentiële verbanden, inclusief recurrente betrekkingen.




7. Recontextualiseren in de concept-contextbenadering
Universiteit Utrecht

onderzoeker: Menno Wierdsma, Krimpenerwaard College, Krimpen aan den IJssel
promotor/copromotor
prof.dr Kerst Th.Boersma,
prof.dr. Bert van Oers
dr. M. Knippels
Universiteit Utrecht

Lees de beschrijving van dit onderzoeksproject

Menno Wierdsma:
“Ik ga meer het gesprek aan met mijn leerlingen”
Menno Wierdsma (32) geeft biologie. Hij staat sinds vier jaar voor de klas en werkt op het Krimpenerwaard College te Krimpen aan den IJssel.

In het kort
Het onderzoek van Menno Wierdsma is gericht op de invulling van de concept-context benadering in het nieuwe biologie-onderwijs. Hoe kun je ervoor zorgen dat leerlingen begrippen die zij geleerd hebben in de ene context, in een andere context kunnen toepassen en begrijpen?

Hoe gaat het?
Ik vind het erg stimulerend om in een wetenschappelijke omgeving te werken. Erg prettig vind ik het om gedwongen te worden om mijn gedachten goed op papier te zetten. Ook diepgaande discussies met collega's vind ik erg prettig. Daarnaast probeer ik, waar mogelijk, mijn eigen lespraktijk aan te passen. Daarvan plukken zowel mijn leerlingen als ikzelf de vruchten. Door mijn onderzoek is mijn blik op onderwijs en mijn eigen lespraktijk wel wat veranderd. Ik ga bijvoorbeeld meer het gesprek aan met mijn leerlingen en krijg meer vertrouwen in hun kunnen, in plaats van te kiezen voor de 'veilige weg' van alleen frontaal kennis aanbieden.
Het onderzoek levert langzaam maar zeker inzichten op, zowel aangaande docentgedrag als de manier waarop je lessen aan elkaar schakelt. In ieder geval kan ik alvast zeggen dat leerlingen een duidelijke focus nodig hebben waarop ze zich kunnen richten tijdens het leerproces.
In het eerste onderzoeksjaar heb ik een lessenserie gevolgd van één van de BOS-docenten, heb ik mijn onderzoeksvoorstel uitgewerkt en ben ik begonnen aan de analyse van de gevolgde lessenserie en een paar andere lessen, ontworpen door een collega onderzoeker.
De combinatie onderwijs-onderzoek bevalt me uitstekend, al is hij soms best pittig omdat je bijvoorbeeld een lessenserie wilt volgen, terwijl je zelf ook enkele dagen per week op school moet zijn en de roosters van de scholen natuurlijk niet als zodanig op elkaar zijn afgestemd.

Uitgebreidere beschrijving
Dit onderzoek is van belang voor de didactisering van de door de Commissie Vernieuwing Biologie Onderwijs (CVBO) uitgewerkte concept-contextbenadering. Leerlingen moeten aangeleerde concepten kunnen recontextualiseren om ze in verschillende handelingspraktijken te kunnen gebruiken.
Het onderzoek moet leiden tot een nadere didactische structurering en empirisch beproefde strategieën waarmee leerlingen biologische concepten kunnen leren recontextualiseren. Deze strategieën zijn er nog niet. Ook zal het onderzoek leiden tot instructies over de wijze waarop de strategieën in lessenreeksen kunnen worden ingepast.

In dit onderzoek wordt aangesloten op onderzoek vanuit de cultuurhistorische theorie naar transitie: deelnemers aan een handelingspraktijk stappen fysiek en/of mentaal over naar een andere praktijk en nemen daarbij concepten, instrumenten, etc. mee.
Het onderzoek wordt uitgevoerd in overleg met de CVBO en zeven scholen die aan het experiment deelnemen. Het levert inzicht op in de mate waarin leerlingen er in slagen om wat is geleerd in andere handelingspraktijken te kunnen gebruiken.
Eerst wordt een casestudyonderzoek (observatie, audio-/videoregistratie en semi-gestructureerde interviews) uitgevoerd. Geanalyseerd wordt hoe in een aantal lessenreeksen wordt gerecontextualiseerd, en wat de effectiviteit daarvan is bij begripsontwikkeling bij leerlingen. Daarna worden in een ontwikkelingsonderzoek strategieën uitgewerkt voor het recontextualiseren van biologische concepten in scenario’s. Leereffecten worden met elkaar vergeleken. Na een eerste cyclus worden data geanalyseerd en strategieën bijgesteld. De bijgestelde versies worden uitgetest, de ontwikkelde strategieën worden met elkaar vergeleken op effectiviteit.




8. Ontwikkeling van een leerlijn wetenschappelijk argumenteren binnen het vwo
Rijksuniversiteit Groningen

onderzoeker: Marcel Koeneman, Kandinsky College, Nijmegen
promotor/copromotor
prof.dr. M.J. Goedhart
dr. Mirjam Ossevoort
Rijksuniversiteit Groningen

Lees de beschrijving van dit onderzoeksproject

Marcel Koeneman:
“Onderzoek doe je het beste niet alleen in een klein kamertje.”
Marcel Koeneman (50) geeft scheikunde, algemene natuurwetenschappen en biologie. Hij staat 23 jaar voor de klas en werkt op het Kandinsky College in Nijmegen en aan de Wageningen Universiteit.

In het kort
Wetenschapsbeoefening bestaat niet alleen maar uit experimenteren en modelleren, maar vooral ook uit heel veel taal en logica. De vraag is nu hoe je leerlingen al op het vwo die specifieke vaardigheden kunt laten ontwikkelen, zoals correct redeneren, interpreteren, formuleren en argumenteren. Dit onderzoekt Marcel Koeneman.

Hoe gaat het?
Het leukste moment van onderzoek doen, is wanneer anderen aan je vragen wat er uit je experiment komt en dat je beseft dat het antwoord niet ergens te googelen is omdat het echt nieuw is. Alleen jij kunt het geven. De invloed op mijn eigen lessen is in dit stadium nog gering; een interview laat je wel beter zien hoe een leerling denkt dan een klassikale les. Maar die ervaring kun je als leraar ook halen uit een paar individuele bijlessen. De echte winst voor de lespraktijk komt straks, als ik vanuit mijn onderzoek goed onderbouwde aanbevelingen kan doen.
Tot nu toe heb ik vooral veel gelezen en gepraat met collega's over de inhoud en de richting van het onderzoek. We hebben het theoretisch kader van het onderzoek redelijk in de steigers kunnen zetten. Ook heb ik wat oriënterend onderzoek gedaan. Daaruit kwamen al wat opmerkelijke zaken naar voren. Het onderzoek gaat langzamer en waarschijnlijk ook preciezer dan ik me van tevoren had voorgesteld. Het kost allemaal veel tijd.
De afwisseling tussen lesgeven en onderzoek doen houdt het werk interessant maar ook vermoeiend, door deadlines van beide kanten en door de lange reistijd. De samenwerking met een paar directe collega's blijkt voor mij een belangrijke overlevingsfactor; onderzoek doe het beste niet alleen in een klein kamertje.

Uitgebreidere beschrijving
De natuurwetenschappen kenmerken zich door een specifieke vorm van argumenteren, waarin gebruik wordt gemaakt van abstracte begrippen, modellen en theorieën, en redeneerwijzen (causaliteit, verklaren). De longitudinale ontwikkeling van deze vaardigheid zal als een rode draad door het programma van alle bètavakken moeten lopen. Daarbij zijn vragen aan de orde betreffende de didactische aanpak, het niveau dat van leerlingen in verschillende fasen verwacht mag worden, en de afstemming tussen de vakken.

Dit onderzoek is erop gericht bij te dragen aan het ontwikkelen van een leerlijn, inclusief toetsing, van argumentatievaardigheden bij vwo-leerlingen. Ook wordt een instrument ontwikkeld om het niveau van argumentatievaardigheden vast te stellen. Het onderzoek wordt uitgevoerd binnen biologie.

De vaardigheid ‘wetenschappelijke argumentatie’ van 4-vwo leerlingen wordt geanalyseerd, literatuuronderzoek wordt gedaan, en de examenprogramma’s van de bètavakken, inclusief NLT, worden geanalyseerd. Daarna wordt een onderwijsontwerp en een instrument voor toetsing ontwikkeld en geïntegreerd in een module met een context-concept-benadering. Het onderwijsontwerp wordt in twee cycli uitgevoerd in de klassenpraktijk. De argumentatievaardigheden van de leerlingen worden geanalyseerd voor en na de deelname aan het onderwijsontwerp.

 


Highlights

BètaCoöperatie VO bundelt krachten voor de toekomst
Lees verder »

Nieuwe NLT-modules gecertificeerd
Lees verder »

Duurzaam Bètakrant is uit!
Lees verder »

Agenda

Inloggen

Login

Wachtwoord

inlog kwijt? »