Onderzoeken tranche 2007

home DUDOC
onderzoeken tranche 2008 
programmaraad
manifestatie mei 2012 Lesgeven en promoveren: een gouden combinatie?

 

In september 2007 ging de eerste groep docent-onderzoekers van start. Elf docenten waren na een sollicitatieprocedure geselecteerd voor hun onderzoek. Per oktober 2008 zijn acht onderzoekers hun tweede Dudoc-jaar ingegaan. Eén onderzoeker besloot in 2007 voor aanvang van zijn onderzoek, niet te participeren in Dudoc. Twee onderzoekers zijn in de loop van het eerste jaar van hun onderzoek gestopt. Eén van die onderzoeken, ‘Een vakoverstijgende leerlijn voor leren onderzoeken in de bètavakken’ aan de Vrije Universiteit Amsterdam, is in september 2008 overgenomen door Saskia van der Jagt. Zij heeft ook weer vier jaar (0,6fte) voor haar promotieonderzoek.
In 2011 is Sanne Schaap gestopt met zijn promotieonderzoek ‘Mathematiseren als schakel bij het modelleren: kansen en belemmeringen bij leerlingen tijdens het opstellen van wiskundige modellen’. Hij neemt nog wel deel aan het Dudoc-scholingsprogramma met het oog op enkele wetenschappelijke publicaties.

Op 12 december 2011 promoveerde Christian Bokhove als eerste DUDOC'er. In 2012 promoveerden Lesley de Putter, Talitha Visser en Menno Wierdsma.




1. Modelgestuurd leren ontwerpen van concept-context onderwijs door biologiedocenten
Universiteit Leiden

onderzoeker: Nienke Wieringa, Zandvlietcollege, Den Haag
promotor/copromotor
prof. dr. J.H van Driel
dr. ir. F.J.J.M. Janssen
Universiteit Leiden

zie ook: http://iclon.leiden.edu/scientific-research/staff/phd-students/wieringan.html

artikelen:
Wieringa, N. (2011). Teachers’ educational design as a process of reflection-in-action: the lessons we can learn from Donald Schön’s The Reflective Practitioner when studying the professional practice of teachers as educational designers. Curriculum Inquiry, 41(1), 167-174.

Wieringa, N., Janssen, F., & Van Driel, J. (in press). Biology teachers designing context-based lessons for their classroom practice - the importance of rules-of-thumb. International Journal of Science Education.

Nienke Wieringa:
“Het voortdurend schakelen tussen onderwijs en onderzoek maakt mijn werkweek onrustig, maar ook compleet en uitdagend.”
Nienke Wieringa (1978) is docent biologie aan het Zandvlietcollege te Den Haag.

In het kort
Docenten zijn in belangrijke mate de vormgevers van hun eigen onderwijs, ook tijdens onderwijsvernieuwingen. Nienke Wieringa onderzoekt hoe biologiedocenten concept-contextonderwijs ontwerpen, hoe zij hierbij ondersteund kunnen worden en welke rol de praktijkkennis van docenten speelt bij het ontwerpen van onderwijs. 

Hoe gaat het?
Het voortdurend schakelen tussen de werelden van het onderwijs en het onderzoek maakt mijn werkweek onrustig, maar ook compleet en uitdagend. In mijn werk als onderzoeker krijgt de ‘bezinner’ in mij de ruimte. Als onderzoeker krijg ik toegang tot veel nieuwe ideeën op het gebied van de didactiek van de biologie, en leer ik veel van de docenten die deelnemen aan mijn onderzoek. Het afgelopen jaar heb ik me georiënteerd op de manieren waarop de concept-contextbenadering wordt vormgegeven. Daarna heb ik mijn onderzoeksplannen uitgewerkt en ben ik aan de slag gegaan met docenten die concept-contextlessen ontwerpen.
Door het onderzoek ben ik kritischer gaan kijken naar mijn eigen lessen. Wat leren mijn leerlingen nu echt en waarom is dat relevant? Daarnaast verdiep ik mij in de manier waarop andere docenten denken, wat hun overtuigingen zijn en hoe ze hun onderwijs vormgeven. Bovendien krijg ik inzicht in de manier waarop de context-concept benadering in de praktijk van het biologieonderwijs een plaats kan krijgen, en in hoeverre deze benadering aansluit bij de overtuigingen van biologiedocenten.

Uitgebreidere beschrijving

Er staat in het Nederlands biologieonderwijs een vernieuwing op stapel, die tot doel heeft het onderwijs relevanter, meer samenhangend en minder overladen te maken. Deze vernieuwing is gestoeld op de concept-contextbenadering. Dit betekent dat leerlingen centrale concepten uit de biologie in verschillende betekenisvolle contexten zou moeten aanleren en kunnen gebruiken.


Er wordt van biologiedocenten verwacht dat zij hun lessen in de lijn van deze benadering kunnen vormgeven. Dit is, verwachten wij, geen eenvoudige opgave. In dit onderzoek staan de volgende vragen centraal: welke beslissingen nemen biologiedocenten bij het ontwerpen van concept-contextlessen, en wat zijn karakteristieken van deze lessen? Wat is de relatie tussen het proces van het ontwerpen van lessen en de praktijkkennis van docenten? En wat zouden succesvolle strategieën kunnen zijn om concept-contextlessen te ontwerpen, en om docenten te ondersteunen bij het ontwerpen van concept-contextlessen?


Het onderzoeksproject bestaat uit drie fasen. Tijdens de eerste fase zijn zes biologiedocenten gevraagd om hardop denkend een concept-contextles of korte lessenserie te ontwerpen voor één van hun eigen klassen. Deze lessen zijn opgenomen op video, en door middel van interviews is de ontwerpgerelateerde praktijkkennis van docenten in kaart gebracht. Conclusies waren: 
- Docenten zeggen “vernieuwingsregels” netjes toe te gaan passen, maar doen dat niet
- Docenten denken in vuistregels (als… doe dan…)
- Vuistregels zijn gekoppeld aan gewenste uitkomsten van de les
- Deze vuistregels verklaren waarom docent iets anders doet dan de vernieuwing “voorschrijft”


Tijdens de tweede fase is op deze conclusies voortgebouwd teneinde tot een theoretisch model te komen dat het in kaart brengen van de praktijkkennis van docenten, het meten van ontwikkelingen hierin en het begrijpen van de relatie met het ontwerpen van lessen moet vergemakkelijken. Hiervoor is aangehaakt bij het begrip van reflection-in-action (Schön, 1983) en bij inzichten uit goal system theory (zie Wieringa, 2011).


Tijdens de derde fase wordt een professionaliseringstraject voor biologiedocenten ontwikkeld, uitgevoerd en geëvalueerd, terwijl de ontwikkelingen in de praktijkkennis van deelnemende docenten zal worden gevolgd. De ingrediënten van dit professionaliseringstraject zijn afkomstig van de inzichten uit de eerste twee fasen en gebaseerd op het werk van Fred Janssen.




2. Leren van docenten bij vakoverstijgende samenwerking bij het invoeren en verzorgen van een NLT-module
Universiteit Twente

Promotie: 25-10-2012

onderzoeker: Talitha Visser, CSG Het Noordik, Almelo
promotor/copromotor
prof.dr. J.Pieters
dr. F.G.M. Coenders
dr. C. Terlouw
Universiteit Twente

Lees de beschrijving van dit onderzoeksproject

artikelen:
Visser, T. C., Coenders, F. G. M., Terlouw, C., & Pieters, J. M. (2012). Design of a model for a professional development programme for a multidisciplinary science subject in the Netherlands. Professional Development in Education, 1-4. doi: 10.1080/19415257.2012.669393
Visser, T.C., Coenders, F. G. M., Terlouw, C. & Pieters, J. M. (2010). 'Essential Characteristics for a Professional Development Program for Promoting the Implementation of a Multidisciplinary Science Module'. In: Journal of Science Teacher Education: Volume 21, Issue 6

papers, posters en presentaties:
paper ORD 2010
presentatie ORD 2010
poster ORD 2008


Talitha Visser:
“Ik heb het gevoel dat ik me dagelijks professionaliseer en dus veel nieuwe dingen leer.” 
 Talitha Visser (1980) doceert dit jaar scheikunde en Natuur Leven & Technologie. Ze staat sinds 2005 voor de klas aan de CSG Het Noordik te Almelo.

In het kort
Het onderzoek van Talitha Visser tracht een verband te leggen tussen de stimulerende en belemmerende elementen van een invoeringsscenario voor een NLT-module, en de ontwikkeling van de kennisbasis en opvattingen van NLT-docenten.

Hoe gaat het?
Door mijn onderzoek heb ik de mogelijkheid om bij verschillende scholen binnen te kijken. Meer dan voorheen zie ik nu hoe op verschillende vlakken nog wat verbeterd kan worden. Ik leer allerlei zaken die mijn eigen manier van lesgeven kunnen verbeteren. Ik heb het gevoel dat ik me dagelijks professionaliseer en dus veel nieuwe dingen leer.
Het eerste onderzoeksjaar ben ik begonnen met het schrijven van een onderzoeksplan. Bij acht verschillende NLT-invoerscholen heb ik een interview afgenomen, waarin werd gevraagd naar de manier waarop een NLT-module is ingevoerd. Deze data ben ik nu aan het analyseren. Lesgeven en onderzoek is een unieke, perfect afwisselende combinatie die echter wel veel organisatie, planning en flexibiliteit vereist.

Uitgebreidere beschrijving
Invoering van een nieuw vak op school is ingewikkeld. Bij het nieuwe vak NLT hebben docenten te maken met diverse nieuwe aspecten: het vak is opgebouwd uit losse modules waarvan de domeinen over de grenzen van de traditionele mono-bètavakken heen gaan. Docenten moeten zich nieuwe kennis, vaardigheden en routines eigen maken. Bovendien moeten docenten van verschillende bètavakken samenwerken bij de invoering van door anderen ontwikkelde modules.

Welk soort bètadocenten moet betrokken worden bij de invoering van NLT op school, hoe moeten ze worden voorbereid, welke samenwerkingsverbanden zijn belangrijk, en welke faciliteiten dienen op school aanwezig dienen? Dit onderzoek moet leiden tot het opstellen van kenmerken van succesvolle invoeringsscenario's in het licht van het leren van docenten en hun leerlingen.

Het inrichten van rijke leeromgevingen voor docenten, en het kunnen sturen van leerprocessen van docenten zijn voor een soepele invoering cruciaal. Dit onderzoek tracht een verband te leggen tussen een invoeringsscenario op school en eventuele stimulerende of belemmerende factoren, en het leren van docenten.

Onderzocht wordt welke invoeringsscenario's enkele Twentse scholen hanteren. Daaruit (en uit nadere literatuurstudie) blijkt welke strategie het beste past. Ook wordt onderzocht over welke kennisbasis en opvattingen NLT-docenten beschikken vóór het invoeren van een NLT-module en hoe zich dit ontwikkelt bij de invoering van een module. Vergeleken wordt wat leerlingen leren in de scholen die de module volgens de strategie invoeren met wat leerlingen leren in de andere scholen, zowel cognitief als affectief.





3. Participatie van docenten in ontwerpteams: professionalisering als ontwerper en uitvoerder van concept-context gebaseerd materiaal
Technische Universiteit Eindhoven

Promotie: 06-03-2012

onderzoeker: Lesley de Putter-Smits, Heerbeeck College, Best
promotor/copromotor
prof.dr. W. Jochems, Eindhoven School of Education
prof. dr. J.H. van Driel, ICLON
dr. R. Taconis, Technische Universiteit Eindhoven

Lees de beschrijving van dit onderzoeksproject

Proefschrift: Science teachers designing context-basedcurriculum materials: developingcontext-based teaching competence

Artikelen:
De Putter-Smits, L. G. A., Taconis, R., Jochems, W. M. G., and Van Driel, J.H. An analysis of teaching competence in science teachers involved in the design of context-based curriculum materials. International Journal of Science Education, DOI: 10.1080/09500693.2012.656291.
De Putter-Smits, L. G. A., Taconis, R., Jochems, W. M. G., and Van Driel, J. (2011). De emphases van docenten biologie, natuurkunde en scheikunde en de gevolgen voor curriculum vernieuwingen (science teachers' emphases and consequences for curriculum innovations). Tijdschrift voor Didactiek der betawetenschappen, 28 (1), 32-48.
De Putter, L. (2012). Het ontwerpen van context-gericht lesmateriaal. In: Nederlands Tijdschrift voor Natuurkunde, september 2012
De Putter-Smits, L. G. A., Taconis, R., and Jochems, W. M. G. Mapping context-based learning environments - the construction of an instrument. Learning Environments Research, in press.
De Putter-Smits, L. G. A., Taconis, R., Jochems, W. M. G., and Van Driel, J.H. An analysis of teaching competence in science teachers involved in the design of context-based curriculum materials. International Journal of Science Education.
Taconis, R., de Putter-Smits, L. G. A., Henry, S., den Brok, P. J., and Beijaard, D. (2010). The construction of a questionnaire to evaluate the science orientedness of students' identities as learners from a cognitive perspective. Educational Research and Evaluation: An International Journal on Theory and Practice, 16 (4), 383-400.

Book chapter:
De Putter-Smits, L. G. A., Taconis, R., and Jochems, W. M. G. Measuring constructivist aspects of context-based learning environments in Dutch science classrooms. In R. Taconis and P. J. Den Brok eds. Teachers creating context based learning environments in science, in press.

Handouts ORD 2010
Presentatie ORD 2008

Lesley de Putter - Smits:
“Het levert een diepgang waarvan ik van tevoren geen weet had.”
Lesley de Putter - Smits staat voor de klas sinds 2003. Zij doceert natuurkunde op het Heerbeeck College in Best.


Het ontwerpen van context-gericht lesmateriaal door betadocenten: de ontwikkeling van docentcompetenties voor context-onderwijs
.

De voorgenomen vernieuwingen van de curricula van vier bètavakken (biologie, natuurkunde, NLT en scheikunde) op basis van de concept-in-context benadering voor de bovenbouw van het HAVO en het VWO is de afgelopen zeven jaar het onderwerp van veel Nederlandse wetenschappelijke onderzoeken en docentprofessionaliseringstrajecten geweest. In navolging van internationale voorbeelden is de concept-in-context benadering gekozen, om de afgenomen interesse onder leerlingen voor bèta-vervolgstudies een halt toe te roepen. In de discussies over de concept-in-context benadering werd vooral gekeken naar wat deze benadering voor elk van de bètavakken in moest houden. De commissies hadden het voornemen om de nieuwe curricula voor 4 en 5 HAVO en 4, 5 en 6 VWO in de praktijk uit te proberen, tot en met het centraal schriftelijk eindexamen. Hiervoor waren concept-in-context lesmaterialen nodig.

De concept-in-context lesmaterialen zijn gemaakt door teams van docenten en experts van hogescholen en universiteiten. Het leren van docenten in ontwikkelteams voor concept-in-context lesmaterialen was het onderwerp van mijn proefschrift. Het doel was een zo optimaal mogelijk professionaliseringstraject voor bètadocenten te ontwerpen gebaseerd op de ervaringen van deze docenten met ontwikkelervaring. Daarvoor is eerst een definitie van de concept-in-context benadering opgesteld, die recht doet aan zowel nationale als internationale literatuur. Vervolgens is een vertaling van deze definitie naar de lespraktijk gemaakt, door het definiëren van vijf docentcompetenties die belangrijk zijn voor het lesgeven middels de concept-in-context benadering.

De algemene onderzoeksvraag in dit proefschrift luidde: Op welke wijze draagt de deelname van docenten aan ontwikkelteams voor concept-in-context lesmaterialen (biologie, natuurkunde, NLT en scheikunde) bij aan hun professionele ontwikkeling tot het lesgeven met deze benadering en welke factoren in de ervaring met ontwikkelen van lesmateriaal storen of vergemakkelijken deze ontwikkeling?

Om de vijf docentcompetenties te meten, is een samen¬gesteld instrument ontwikkeld, wat is getest en valide en betrouwbaar bevonden om concept-in-context docentcompetenties te meten. Het gevalideerde instrument is gebruikt in verschillende onderzoeken. De conclusies uit het onderzoek samengevat zijn:
•    Docenten met ontwikkelervaring bleken meer concept-in-context competentie te hebben dan docenten zonder deze ervaring. Er bleek ook een invloed te zijn van het materiaal wat in de klas gebruikt wordt en de concept-in-context competentie.
•    Factoren die van invloed bleken te zijn op docentcompetentie waren: de deelnemers aan het ontwikkelteam, de duur van de ontwikkelervaring en het gebruik van de concept-in-context modules in de eigen klas.
•    Een professionaliseringstraject gebaseerd op onder andere deze factoren bleek succesvol te zijn in het veranderen van de concept-in-context docentcompetenties.
•    De vijf concept-in-context competenties zijn in de praktijk bevestigd en er zijn suggesties gedaan voor aanvullingen op deze competenties.
•    Niet alleen het ontwikkelen van concept-in-context lesmateriaal heeft een invloed op de docentcompetentie, maar ook het gebruik van een combinatie van een standaard methode met concept-in-context modules heeft een positieve invloed.
Deze bevindingen kunnen worden gebruikt in de lespraktijk, door uitgevers van lesmaterialen, instellingen voor docentprofessionalisering en lerarenopleidingen.




4. Statistiek als brug tussen wiskunde en natuurwetenschappen
Universiteit Utrecht

onderzoeker: Adri Dierdorp, College Hageveld, Heemstede
promotor/copromotor
prof.dr. Harrie M. C. Eijkelhof
prof.dr. Jan A. van Maanen
dr. Arthur Bakker
Universiteit Utrecht

Lees de beschrijving van dit onderzoeksproject

Proposal 2009
Abstract 2008

Producten:
Dierdorp, A., Bakker, A., Eijkelhof, H. M. C., & van Maanen, J. A. (2011). Authentic practices as contexts for learning to draw inferences beyond correlated data. Mathematical Thinking and Learning, 13(1&2), 152-151.
Dierdorp, A., Bakker, A., Maanen van, J.A., Eijkelhof, H.M.C.(2010). Educational versions of authentic practices as contexts to teach statistical modeling, Paper presented at ICOTS 8 Ljubliana: Slovenia
Dierdorp, A., Bakker, A., Maanen van, J.A., Eijkelhof, H.M.C.(2009).Basing an instructional unit about statistical modelling on authentic scientific practices, paper presented at ORD, Leuven: Belgium
Dierdorp, A., Bakker, A., Maanen van, J.A., Eijkelhof, H.M.C.(2009a).Authentic practices as contexts for learning to draw conclusions from correlated data, poster presentation presented at Esera, Istanbul
Dierdorp, A., Bakker, A., Maanen van, J.A., Eijkelhof, H.M.C.(2009b).Authentic practices as contexts for learning to draw conclusions from correlated data, poster presentation presented at SRTL6, Brisbane: Australia.                            


Adri Dierdorp:
“Vooral de koppeling van theorie en praktijk is uitermate boeiend”
Adri Dierdorp (1958) is docent wiskunde aan het College Hageveld in Heemstede. Hij staat 25 jaar voor de klas.

In het kort
In lijn met een aantal recente ontwikkelingen onderzoekt Adri Dierdorp welke kenmerken een valide en effectieve onderwijsleerstrategie moet hebben om leerlingen statistisch te leren modelleren binnen gedidactiseerde handelingspraktijken.

Hoe gaat het?
Nu ik dit onderzoek doe ben ik nog meer gemotiveerd om didactische principes uit te testen. Vooral de koppeling van theorie en praktijk is uitermate boeiend.

Uitgebreidere beschrijving

Statistiek is een multidisciplinair vakgebied dat grotendeels ontstaan is vanuit de natuurwetenschappen. Statistisch modelleren in verschillende natuurwetenschappelijke contexten lijkt daarom een geschikte activiteit om leerlingen de samenhang tussen de bètavakken te laten ervaren. Dergelijke contexten, opgevat als handelingspraktijken, moeten dan zo gedidactiseerd worden dat leerlingen de relevante statistische kennis en vaardigheden kunnen ontwikkelen. Hiervoor zijn empirisch en theoretisch onderbouwde ontwerpstrategieën nodig.

Dit onderzoek gaat na hoe 5-vwo-leerlingen met een N&T-profiel kunnen leren statistisch modelleren in gedidactiseerde natuurwetenschappelijke handelingspraktijken. Ook wordt onderzocht hoe het proces van generaliseren verloopt bij leerlingen die wiskundige en natuurwetenschappelijke kennis ontwikkelen.

Het onderzoek verbindt wiskunde en de natuurwetenschappen. Er wordt een geavanceerde statistische modelleertechniek functioneel en op niveau ontwikkeld, toegepast en getoetst in verschillende natuurwetenschappelijke handelingspraktijken. Voorbeelden zijn de statistiek gebruikt door een sportfysioloog, de statistische technieken die gebruikt worden bij dijkbewaking en de rol van statistiek bij het ijken van meeetinstrumenten.

De basis van het onderzoek is de ontwikkeling en evaluatie van een NLT-module. Drie biologische, chemische en/of fysische handelingspraktijken met gevalsstudies worden onderzocht om de informatie te identificeren die nodig is voor het didactiseren. In eerder onderzoek zijn hiervoor onderzoeksinstrumenten ontwikkeld. Met ontwikkelingsonderzoek wordt een module ontwikkeld en geëvalueerd, waarbij het centraal methodisch instrument een hypothetisch leertraject is. Dit bestaat uit vastgestelde voorkennis van leerlingen, een einddoel en een serie onderwijsactiviteiten met bijbehorende verwachtingen over het leerproces. Daarmee heeft het hypothetisch leertraject twee functies. Ten eerste dient het om te voorspellen en toetsen hoe de leerlingen de beoogde statistische technieken ontwikkelen. Ten tweede dient het om het generaliseren en integreren van wiskundige en natuurwetenschappelijke kennis te analyseren. De analyse is gebaseerd op audio- en video-opnames, leerlingwerk, observaties en toetsen.




5. ICT voor het verwerven en toetsen van doorstroomrelevante wiskundige vaardigheden
Universiteit Utrecht


Promotie: 12-12-2011

Hier vindt u het proefschrift:
Bokhove, C. (2011). Use of ICT for acquiring, practicing and assessing algebraic expertise. Retrieved from http://igitur-archive.library.uu.nl/dissertations/2011-1116-200647/UUindex.html

onderzoeker: Christian Bokhove, ten tijde van DUDOC werzaam als docent op het St. Michael College in Zaandam, per september 2012 lecturer in Mathematics Education at the University of Southampton 
promotor/copromotor
prof.dr. J.A. van Maanen
dr.P.H.M. Drijvers
Universiteit Utrecht

Lees de beschrijving van dit onderzoeksproject

Euclides maart 2011 - interview en artikel
presentatie januari 2010
presentatie april 2009
diverse artikelen
Bokhove, C., & Drijvers, P. (2012, July). Effects of a digital intervention on the development of algebraic expertise. Computers & Education. Paper presented at the ICME-1. Seoul, South-Korea http://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0360131511001886
Bokhove, C., & Drijvers, P. (2012). Effects of feedback in an online algebra intervention. Technology, Knowledge and Learning. 10.1007/s10758-012-9191-8
Bokhove, C., & Drijvers, P. (2010). Symbol sense behavior in digital activities. For the Learning of Mathematics, 30(3), 43-49.
Bokhove, C. (2010). Implementing feedback in a digital tool for symbol sense. International Journal for Technology in Mathematics Education, 17(3), 121-126.
Bokhove, C., & Drijvers, P. (2010). Digital tools for algebra education: criteria and evaluation. International Journal of Computers for Mathematical Learning, 15(1), 45-62.

Christian Bokhove:
“De praktijk is gebaat bij theorie en theorie bij de praktijk.”
Christian Bokhove (33) doceert wiskunde en informatica aan het St. Michael College in Zaandam. Sinds tien jaar staat hij voor de klas.

In het kort
Christian Bokhove onderzoekt op welke manier de inzet van ict in het voortgezet onderwijs een bijdrage kan leveren aan het verwerven, oefenen en toetsen van doorstroomrelevante wiskundige vaardigheden.

Hoe gaat het?
Het meest interessant vind ik het tot op detailniveau uitwerken van een theoretisch kader en methodologie, om deze uiteindelijk samen te laten komen in een interventie in de klas. In het eerste onderzoeksjaar heb ik het onderzoeksplan uitgewerkt, een eerste prototype gemaakt en verbeterd in één-op-één experimenten.
Het onderzoek heeft bij mij nog meer benadrukt dat de praktijk gebaat is bij theorie en theorie bij praktijk. Het levert me nu al het inzicht op dat kwalitatief goede feedback in een computertool kan bijdragen aan het leren van de leerling. De combinatie van lesgeven en onderzoek doen bevalt me goed, omdat theorie en praktijk hand in hand gaan en moeten gaan. Maar minder lesgeven is ook wel weer jammer.

Uitgebreidere beschrijving
In dit onderzoek bekijken we op welke wijze ICT een rol kan spelen bij het oefenen, verwerven en toetsen van wiskundige vaardigheden, in het bijzonder algabraïsche vaardigheden.
In de eerste fase formuleerden we criteria voor digitale algebrasoftware en beoordeelden we aan de hand hiervan de vele tools die er zijn. Vervolgens werd met behulp van de gekozen tool een prototype ontworpen dat ingezet werd in enkele één-op-één sessies. Deze sessie dienden om (i) het prototype zelf te verbeteren, en (ii) op kwalitatieve wijze inzicht te krijgen in de wijze waarop leerlingen zowel inzicht als vaardigheden leren.
Op basis van deze resultaten werd het prototype wederom bijgesteld en uitgewerkt tot een digitale module, bestaande uit 4 tot 6 klokuren. De module werd begin 2010 bij twee wiskunde B 6vwo groepen aan de RSG Enkhuizen ingezet.
Momenteel worden de data geanalyseerd, onder andere door middel van datamining.




6. Recontextualiseren in de concept-contextbenadering
Universiteit Utrecht

Promotie: 19-12-2012


onderzoeker: Menno Wierdsma, voorheen docent op het Krimpenerwaard College, nu als vakdidacticus op de Rijksuniversiteit Groningen en als docent Science-biologie op de PA(BO) van de Hanzehogeschool Groningen
promotor/copromotor
prof.dr. Kerst Th.Boersma, prof.dr. Bert van Oers, dr. M. Knippels, Universiteit Utrecht

Lees de beschrijving van dit onderzoeksproject

- ORD conferentie Eindhoven, juni 2008 – poster met synopsis “Recontextualiseren in de concept-contex benadering”, Auteurs: Menno Wierdsma, Marie-Christine Knippels, Bert van Oers, Kerst Boersma
- ESERA conferentie Istanbul september 2009 – abstract, synopsis en mondelinge presentatie “Recontextualising in the concept-context approach”,  Auteurs: Menno Wierdsma, Marie-Christine Knippels, Bert van Oers, Kerst Boersma
- Posterpresentatie ERIDOB 2010. Braga, Portugal. Abstract (nr. 152, pg. 162): “Recontextualising Cellular Respiration”, Auteurs: Menno Wierdsma, Marie-Christine Knippels, Bert van Oers, Kerst Boersma
- September 2011 - biologiedidactiek conferentie aan de Universiteit van Bayreuth – presentatie ‘Recontextualising Cellular Respiration’
- Synopsis en paper, ERIDOB 2012. Berlijn, Duitsland: “Explaining transfer: why students have trouble recontextualising cellular respiration.”


Menno Wierdsma:
“Ik ga meer het gesprek aan met mijn leerlingen”
Menno Wierdsma (35) gaf biologie op het Krimpenerwaard College te Krimpen aan den IJssel.

In het kort
Het onderzoek van Menno Wierdsma is gericht op de invulling van de concept-context benadering in het nieuwe biologie-onderwijs. Hoe kun je ervoor zorgen dat leerlingen begrippen die zij geleerd hebben in de ene context, in een andere context kunnen toepassen en begrijpen?

Hoe gaat het?
Ik vind het erg stimulerend om in een wetenschappelijke omgeving te werken. Erg prettig vind ik het om gedwongen te worden om mijn gedachten goed op papier te zetten. Ook diepgaande discussies met collega's vind ik erg prettig. Daarnaast probeer ik, waar mogelijk, mijn eigen lespraktijk aan te passen. Daarvan plukken zowel mijn leerlingen als ikzelf de vruchten. Door mijn onderzoek is mijn blik op onderwijs en mijn eigen lespraktijk wel wat veranderd. Ik ga bijvoorbeeld meer het gesprek aan met mijn leerlingen en krijg meer vertrouwen in hun kunnen, in plaats van te kiezen voor de 'veilige weg' van alleen frontaal kennis aanbieden.
Het onderzoek levert langzaam maar zeker inzichten op, zowel aangaande docentgedrag als de manier waarop je lessen aan elkaar schakelt. In ieder geval kan ik alvast zeggen dat leerlingen een duidelijke focus nodig hebben waarop ze zich kunnen richten tijdens het leerproces.
In het eerste onderzoeksjaar heb ik een lessenserie gevolgd van één van de BOS-docenten, heb ik mijn onderzoeksvoorstel uitgewerkt en ben ik begonnen aan de analyse van de gevolgde lessenserie en een paar andere lessen, ontworpen door een collega onderzoeker.
De combinatie onderwijs-onderzoek bevalt me uitstekend, al is hij soms best pittig omdat je bijvoorbeeld een lessenserie wilt volgen, terwijl je zelf ook enkele dagen per week op school moet zijn en de roosters van de scholen natuurlijk niet als zodanig op elkaar zijn afgestemd.

Uitgebreidere beschrijving
Dit onderzoek is van belang voor de didactisering van de door de Commissie Vernieuwing Biologie Onderwijs (CVBO) uitgewerkte concept-contextbenadering. Leerlingen moeten aangeleerde concepten kunnen recontextualiseren om ze in verschillende handelingspraktijken te kunnen gebruiken.
Het onderzoek moet leiden tot een nadere didactische structurering en empirisch beproefde strategieën waarmee leerlingen biologische concepten kunnen leren recontextualiseren. Deze strategieën zijn er nog niet. Ook zal het onderzoek leiden tot instructies over de wijze waarop de strategieën in lessenreeksen kunnen worden ingepast.

In dit onderzoek wordt aangesloten op onderzoek vanuit de cultuurhistorische theorie naar transitie: deelnemers aan een handelingspraktijk stappen fysiek en/of mentaal over naar een andere praktijk en nemen daarbij concepten, instrumenten, etc. mee.
Het onderzoek wordt uitgevoerd in overleg met de CVBO en zeven scholen die aan het experiment deelnemen. Het levert inzicht op in de mate waarin leerlingen er in slagen om wat is geleerd in andere handelingspraktijken te kunnen gebruiken.
Eerst wordt een casestudyonderzoek (observatie, audio-/videoregistratie en semi-gestructureerde interviews) uitgevoerd. Geanalyseerd wordt hoe in een aantal lessenreeksen wordt gerecontextualiseerd, en wat de effectiviteit daarvan is bij begripsontwikkeling bij leerlingen. Daarna worden in een ontwikkelingsonderzoek strategieën uitgewerkt voor het recontextualiseren van biologische concepten in scenario’s. Leereffecten worden met elkaar vergeleken. Na een eerste cyclus worden data geanalyseerd en strategieën bijgesteld. De bijgestelde versies worden uitgetest, de ontwikkelde strategieën worden met elkaar vergeleken op effectiviteit.




7. Ontwikkeling van een leerlijn wetenschappelijk argumenteren binnen het vwo
Rijksuniversiteit Groningen

onderzoeker: Marcel Koeneman, Kandinsky College, Nijmegen
promotor/copromotor
prof.dr. M.J. Goedhart
dr. Mirjam Ossevoort
Rijksuniversiteit Groningen

Lees de beschrijving van dit onderzoeksproject

Marcel Koeneman:
“Onderzoek doe je het beste niet alleen in een klein kamertje.”
Marcel Koeneman (50) geeft scheikunde, algemene natuurwetenschappen en biologie. Hij staat 23 jaar voor de klas en werkt op het Kandinsky College in Nijmegen en aan de Wageningen Universiteit.

In het kort
Wetenschapsbeoefening bestaat niet alleen maar uit experimenteren en modelleren, maar vooral ook uit heel veel taal en logica. De vraag is nu hoe je leerlingen al op het vwo die specifieke vaardigheden kunt laten ontwikkelen, zoals correct redeneren, interpreteren, formuleren en argumenteren. Dit onderzoekt Marcel Koeneman.

Hoe gaat het?
Het leukste moment van onderzoek doen, is wanneer anderen aan je vragen wat er uit je experiment komt en dat je beseft dat het antwoord niet ergens te googelen is omdat het echt nieuw is. Alleen jij kunt het geven. De invloed op mijn eigen lessen is in dit stadium nog gering; een interview laat je wel beter zien hoe een leerling denkt dan een klassikale les. Maar die ervaring kun je als leraar ook halen uit een paar individuele bijlessen. De echte winst voor de lespraktijk komt straks, als ik vanuit mijn onderzoek goed onderbouwde aanbevelingen kan doen.
Tot nu toe heb ik vooral veel gelezen en gepraat met collega's over de inhoud en de richting van het onderzoek. We hebben het theoretisch kader van het onderzoek redelijk in de steigers kunnen zetten. Ook heb ik wat oriënterend onderzoek gedaan. Daaruit kwamen al wat opmerkelijke zaken naar voren. Het onderzoek gaat langzamer en waarschijnlijk ook preciezer dan ik me van tevoren had voorgesteld. Het kost allemaal veel tijd.
De afwisseling tussen lesgeven en onderzoek doen houdt het werk interessant maar ook vermoeiend, door deadlines van beide kanten en door de lange reistijd. De samenwerking met een paar directe collega's blijkt voor mij een belangrijke overlevingsfactor; onderzoek doe het beste niet alleen in een klein kamertje.

Uitgebreidere beschrijving
De natuurwetenschappen kenmerken zich door een specifieke vorm van argumenteren, waarin gebruik wordt gemaakt van abstracte begrippen, modellen en theorieën, en redeneerwijzen (causaliteit, verklaren). De longitudinale ontwikkeling van deze vaardigheid zal als een rode draad door het programma van alle bètavakken moeten lopen. Daarbij zijn vragen aan de orde betreffende de didactische aanpak, het niveau dat van leerlingen in verschillende fasen verwacht mag worden, en de afstemming tussen de vakken.

Dit onderzoek is erop gericht bij te dragen aan het ontwikkelen van een leerlijn, inclusief toetsing, van argumentatievaardigheden bij vwo-leerlingen. Ook wordt een instrument ontwikkeld om het niveau van argumentatievaardigheden vast te stellen. Het onderzoek wordt uitgevoerd binnen biologie.

De vaardigheid ‘wetenschappelijke argumentatie’ van 4-vwo leerlingen wordt geanalyseerd, literatuuronderzoek wordt gedaan, en de examenprogramma’s van de bètavakken, inclusief NLT, worden geanalyseerd. Daarna wordt een onderwijsontwerp en een instrument voor toetsing ontwikkeld en geïntegreerd in een module met een context-concept-benadering. Het onderwijsontwerp wordt in twee cycli uitgevoerd in de klassenpraktijk. De argumentatievaardigheden van de leerlingen worden geanalyseerd voor en na de deelname aan het onderwijsontwerp.

 



8. Mathematiseren als schakel bij het modelleren: kansen en belemmeringen bij leerlingen tijdens het opstellen van wiskundige modellen
Rijksuniversiteit Groningen

onderzoeker: Sanne Schaap, Marecollege, Leiden
promotor/copromotor
prof.dr. M.J. Goedhart
dr. P. Vos
Rijksuniversiteit Groningen

Lees de beschrijving van dit onderzoeksproject
diverse artikelen:
-Schaap, S., Vos, P., Ellermeijer, T., & Goedhart, M. J. (2011). De vertaalslag van een situatie naar een wiskundige formule; een studie naar vraagstellingen en leerlingprestaties op het centraal examen Wiskunde B1.
-Schaap, S., Vos, P., & Goedhart, M. J. (2011). Students overcoming blockages while building a mathematical model; exploring a framework. In G. Kaiser, W. Blum, R. Borromeo Ferri & G. Stillman (Eds.), Trends in teaching and learning of mathematical modelling. New York: Springer.
-Schaap, S., Vos, P., &. Goedhart, M. J. (2009). Belemmeringen en kansen tijdens het opstellen van wiskundige modellen; verkenning van een raamwerk. Paper presented at the Onderwijs Research Dagen, Leuven, 27-31 Mei 2009.
-Schaap, S., Vos, P., Broer, H. W., & Goedhart, M. J. (2008). Mathematisation as a shackle of the modelling cycle: opportunities and obstacles while creating a mathematical model. Poster presented at the Onderwijs Research Dagen. Eindhoven, NL: Eindhoven School of Education.

Sanne Schaap:
“Ik vind het een voorrecht om lesgeven en onderzoek doen te mogen combineren”
Sanne Schaap (34) doceert wiskunde aan het Marecollege in Leiden. Hij geeft sinds zeven jaar les.

In het kort
Tegen wat voor problemen lopen leerlingen aan wanneer zij tijdens het maken van  modelleeropgaven bezig zijn met het opstellen van een wiskundig model? Welke leermogelijkheden hebben leerlingen om verbetering in dit proces tot stand te brengen? Sanne onderzoekt dit.

Hoe gaat het?
Door onderzoek te doen maak ik via vakliteratuur kennis met opvattingen over hoe leerlingen wiskunde zouden moeten leren. Dit maakt mij bewust van de vele verbeteringen die er mogelijk zijn in het huidige onderwijs. De opgedane literatuurkennis en deze bewustwording motiveren mij te zoeken naar beter wiskundeonderwijs en nieuwe theorieën op het gebied van modelleren. Ik heb via onderzoek doen gemerkt dat er al veel bekend is over het leren en aanleren van wiskunde. Weinig docenten zijn hiervan echter op de hoogte en dat is jammer. Het zou goed zijn als alle docenten in hun taakuren ruim de tijd krijgen om kennis te maken met – voor hen – nieuwe lesmethoden en inzichten. In mijn eerste onderzoeksjaar heb ik me ingelezen in de vakliteratuur, een onderzoeksplan geschreven, een pilot-studie gedaan om mijn instrumenten en analysekader voor de eerste deelstudie te valideren, examenwerk van het CSE van diverse scholen verzameld en aan een eerste analyse onderworpen, en landelijke scores van centrale examens opgevraagd. Ik vind het een voorrecht om lesgeven en onderzoek doen te mogen combineren en doe dat ook – ondanks dat het met tussenpozen zwaar is – met veel plezier.

Uitgebreidere beschrijving
Dit onderzoek gaat na welke leermogelijkheden leerlingen hebben om te komen tot mathematiseren (het vertalen van een probleem naar een wiskundig model, veelal een formule) en hoe belemmeringen bij het mathematiseren opgeheven kunnen worden. Doel is onderwijs te ontwerpen waarmee leerlingen leren zelf wiskundige modellen te produceren.
In het huidige wiskundeonderwijs wordt het mathematiseren vaak omzeild door een context mét een formule aan te reiken. Leerlingen vatten een formule vaak op als een ‘rekenvoorschrift’, niet als een verband tussen grootheden. Ook bij modelleertaken in andere bètavakken wordt de formule vaak kant-en-klaar aangereikt. Met het overslaan van het mathematiseren krijgt een leerling weinig inzicht in wat zich ‘onder de motorkap’ voordoet.

Het onderzoek zal opleveren: een classificatie van mathematiseervaardigheden die tot een verheldering van de mechanismen bij het modelleren leidt, en ontwerpprincipes voor het incorporeren van mathematiseervaardigheden in het bètaonderwijs.

Via ‘hardop denksessies’ met leerlingen aan de hand van modelleertaken worden leerpotenties van leerlingen systematisch in kaart gebracht. Er wordt een serie vakoverstijgende proeflessen ontworpen en getest. Bij de exemplarische mathematiseertaken wordt uitgegaan van bètabrede contexten (bijvoorbeeld remweg, epidemie en reactiesnelheid), waarin de verbanden modelleerbaar zijn voor leerlingen van 4/5-havo/vwo in de N-profielen. Wiskundig gaat het om lineaire, kwadratische of exponentiële verbanden, inclusief recurrente betrekkingen.



Highlights

De website van het nieuwe programma Bèta Excellent is online!
Lees verder »

Agenda

Inloggen

Login

Wachtwoord

inlog kwijt? »